Column

Het leven is veel te vertakt voor een cijfer

‘Niemand,” zei de vrouw met wie ik sprak, „geeft denk ik een tien aan zijn huwelijk. Dat bestaat niet, een volmaakt huwelijk. Ik denk dat een zeven al een heel mooi cijfer is.” Ik probeerde het cijfer in gedachten uit. Een zeven. Het is een beetje een saai cijfer, ruim voldoende. Zo’n cijfer dat zegt: wees nu maar tevreden, het is lang niet slecht.

Maar dat gaat al in de richting van het schoolproefwerk. Daar lijken cijfers nu eenmaal om te vragen. Niet om complexiteit en aarzelingen.

Pijn wordt ook vaak uitgedrukt in een cijfer. Daar denk ik wel eens aan als ik tegen mezelf mompel: „Ik heb verschrikkelijke hoofdpijn!” „Kind, stel je niet zo aan,” zeg ik dan terug. „Jij hebt helemaal geen ‘verschrikkelijke’ hoofdpijn. Je hebt gewoon hoofdpijn.” Oh ja, fluistert de eerste dan beschaamd. En samen proberen we een cijfer te zoeken. Een vijfje met uitschieters naar zes en een half? Of is vijf al veel te hoog voor gewone hoofdpijn? Wat zijn de criteria eigenlijk?

Zou je ook een cijfer kunnen geven aan je leven? Mijn leven is een acht! Maar vandaag is mijn leven toevallig een drie. Middelen dan maar?

Waarom geloven we toch zo enorm in cijfers? Cijfers laten geen fractie zien van wat het leven zelf is, leven is veel te vertakt, verknoopt, verkruimeld, veel te rommelig, stralend en modderig voor een cijfer. Veel te onoverzienbaar.

„Wat heel is, kunnen wij niet zien, het is/ te groot, het past ons niet en niet/ in onze hoofden” dichtte Eva Gerlach. Zo is het.

In Trouw las ik onlangs een mooi fragment uit de Abraham Kuyperlezing van schrijfster Niña Weijers. Ze heeft het daarin over de vertaktheid van de roman, over de vergissing dat ‘transparantie’ de waarheid zou onthullen. Niets wat leeft is transparant, transparant zijn de cijfers en de sommen. Gedachten zijn niet transparant. „Denken volgt een pad dat van tevoren niet vastlag, verlaat misschien het pad om voorzichtig een nieuw pad te definiëren”.

Het gaat om het op weg zijn, schrijft Weijers, en gelijk heeft ze, dat weten we al lang, we denken immers altijd aan Odysseus, aan wat de dichter Konstantinos Kaváfis schreef: „Als je op reis gaat naar Ithaka,/wens dan dat de weg lang zal zijn,/vol avonturen, vol inzichten.”

De roman, schrijft Weijers, is onreduceerbaar. Je kunt er niet één boodschap of gedachte uit halen en zeggen: dat is het. Ik mag graag Willem Brakman citeren, in een citaat dat ik nooit heb kunnen terugvinden maar waarvan ik zeker weet dat het van hem is: „De waarheid is vertellend van karakter.”

De waarheid is niet: mijn huwelijk is een zeven, deze roman krijgt drie sterren, het is volledig transparant hoe ik werk, de verpleging schrijft alles op. De waarheid is dat er licht flonkerde op zee, dat er een muis klem zat tussen de schuifdeuren, dat ik in woede het glas wijn tegen de muur gooide, de waarheid is het slaperige praten in de ochtend, de hand op het voorhoofd, de slappe lach bij het behangen, het onbegrijpelijke telefoontje, de onuitsprekelijke gedachten.

De waarheid dat zijn de romans en de gedichten die niet teruggebracht kunnen worden tot een stilstaand denkbeeld of een gemiddeld cijfer.

Ach nu ja, waarheid. Dat is ook al weer zo’n woord met een tien op de revers.

„Maar wat aan mootjes, haksel is, verkiezeld,/ kruim, gepureerd, verstoven of ontbonden -// al het verdeelde zit voorgoed in ons.”