Het eindexamen zegt niets over niveau van de leerling

Opinie

Leer van onze zuiderburen, betoogt Pascal Cuijpers. Laat de docent gedurende het gehele jaar zijn leerlingen zelf toetsen. Dat geeft een veel beter beeld.

Foto: Jerry Lampen/ANP

De Cito-stress is weer bijna achter de rug. Voor een jaar. De hype rondom het belangrijkste toetsmoment van basisschoolleerlingen, zal binnenkort wellicht nog een laatste stuiptrekking gaan ondervinden in de vorm van ontevreden ouders die de objectiviteit van de leerkracht in twijfel trekken.

De scoringsdrang is immers tot ongekende hoogten opgestuwd door een kabinet dat toetsen en excelleren indoctrineert als waarheid. Een lage Cito-score én dito advies staan gelijk aan falen. Een deceptie voor een kind, dat helemaal (nog) niet bezig zou moeten zijn met dergelijke druk, statistieken en statustieken.

Slechts enkele weken later volgt de nationale toetsbeproeving van bekwaamheid voor alle eindexamenkandidaten in het voortgezet onderwijs. Ook hierbij worden de leerlingen weer door dezelfde cognitieve trechter gehaald, terwijl ze op afgemeten afstand achter elkaar in lange rijen de gymzalen voor enkele weken bevolken. Een principe dat inmiddels bijna een eeuw lang wordt gehandhaafd, sinds de invoering van de gecentraliseerde eindexamens in ons land.

Een onnodig stressvol gebeuren dat weinig zegt over de échte kwaliteiten van een leerling

Op deze manier denkt men nog steeds objectief – en dus eerlijk en betrouwbaar! – te kunnen bepalen wat het niveau van een leerling is, ongeacht de afkomst of achtergrond. Een onderschatting van jewelste, want net als de eindtoetsen in het basisonderwijs blijft het een onnodig stressvol gebeuren dat de objectiviteit op cognitief gebied ondermijnt en weinig zegt over de échte kwaliteiten van een leerling. Wat dat betreft is het vernieuwde onderwijscurriculum, dat Platform Onderwijs 2032 onlangs aanbood aan de staatssecretaris, een lichtpuntje in het ouderwetse en dominante beleid der eindtoetsing. Hierin staat onder andere te lezen dat ‘een heroriëntatie op de huidige manier van toetsen en examineren cruciaal is om de beoogde visie op toekomstgericht onderwijs in de praktijk te brengen.’ Dit komt neer op een veranderende blik op de toekomst, wanneer we het hebben over de eindtoetsen/examens, waarvan de inhoud nu te veel gericht is op een eenzijdig streven naar succes tijdens de landelijke toetsmomenten. Hierbij zou nu nog overmatig worden ingezet op het standaard afnemen van een overvloed aan tijdelijk parate kennis en feiten, iets wat ten koste gaat van de intrinsieke interesses van de leerling, de toepasbare kennis op langere termijn en het sociaal-emotionele functioneren.

De vraag is of we met dit gegeven onszelf mogen gaan losweken uit het keurslijf dat eindtoetsing heet en of dit blijvend centraal moet worden afgenomen? Nederland is namelijk één van de weinige landen waar men centrale toetsing halsstarrig op een voetstuk heeft staan. In Finland hoeven leerlingen maar in vier vakken (waaronder Fins en Engels of wiskunde) eindexamen te doen om toegang te krijgen tot de universiteit. Ook België kan als voorbeeld dienen op weg naar een andere manier van eindtoetsing in de nabije toekomst. Zo hebben onze zuiderburen geen centrale eindexamens aan het eind van een opleiding, maar een vast aantal toetsperiodes in een schooljaar gedurende hun gehele schoolcarrière.

Deze (eind)toetsen worden niet opgesteld door de staat, zoals in ons land, maar door de docenten zelf. Hiermee slaan ze twee vliegen in één klap: het biedt de leerlingen meer structuur en rust, waardoor de druk afneemt en de prestaties zullen toenemen. Daarnaast stijgt het aanzien van de leerkrachten, doordat ze geen marionettenpop zijn van de regering en hun autonomie mogen verwezenlijken.