De Here leidt de vluchteling

Worden vluchtelingen christen om een verblijfsvergunning te krijgen? Achter de schermen bij een doopdienst in Deventer.

Foto's Kees van de Veen

Midden in de kerk, opgetrokken uit grijs baksteen, staat een bubbelbad. Op de stoelen ervoor zitten elf mannen en een vrouw. Ze dragen witte jurken, gemaakt van lakens. De blote voeten zijn gestoken in plastic campingslippers. Allemaal hebben ze een bijbel in de hand. Opgewonden praten ze in het Farsi, hun stemmen slaan over.

Gaat het over de tekst boven hun hoofd? Op de muur staat Romeinen 6, vers 3 en 4, geprojecteerd: ‘Weet u niet dat wij die gedoopt zijn in Jezus Christus, zijn gedoopt in zijn dood? We zijn door de doop in zijn dood met hem begraven om […] een nieuw leven te leiden.’ Nog even en de dienst begint. Dan gaan de twaalf, één voor één, kopje-onder in het bubbelbad, zoals Jezus zich liet dopen in de Jordaan.

Het is vandaag feest bij Pinkstergemeente De Banier in Deventer, een blije kerk met nog geen vijftig leden. We hebben twaalf dopelingen, vertelt voorganger Ronald Tan. Elf Iraniërs en een Afghaan. „Ze zijn allemaal de smalle weg van Jezus opgegaan”, straalt hij, een gitaar langs zijn middel. Sommigen deden dat al voor hun vlucht naar Nederland, anderen in Deventer. „Dankzij broeder Ismaël, onze engel.”

Of ze het doen voor de procedure of om een andere reden – dat moet iedereen zelf weten

Broeder Ismaël

Ismaël, ook uit Iran, is al tien jaar lid van de pinkstergemeente in Deventer. Hij ontmoette de twaalf in de noodopvang, daar brengt hij elke week aardappelen en suiker, rijst en vlees. Daarna gingen ze mee naar de kerk. Ik moet helpen, zegt Ismaël die overdag bij de post werkt. „Vluchtelingen zijn bang en hebben problemen. Ik praat erover en leid de mensen naar de liefde van de Here Jezus. Of ze nu moslim zijn, ongelovig of fundamentalist. God heeft mij geroepen om te evangeliseren.”

Er gaat pepermunt rond. De dopelingen kauwen er hun zenuwen mee weg als voorganger Ronald Tan wonderen belooft en vertelt over „het watergraf waarin het oude leven wordt weggespoeld” – de zoon van Ismaël vertaalt. De meesten waren moslim. Een volleyballer. Een schoenmaker. Een echtpaar. Maar ook een chauffeur, een kok, een voorheen islamitisch prediker. Plus twee studenten, de een studeerde Engels, de ander civiele techniek. Zenad, nummer dertien, is afgehaakt, vertellen zij: „Omdat hij het toch nog niet helemaal zeker weet.”

De christenen zwaaien met rode en blauwe vlaggen. Ze zingen met hun armen in de lucht: ‘Ja God is goed, God is goed voor mij.’ Op het podium raakt predikant Tan op dreef. Na de waterdoop zullen de nieuwkomers „groeien in het Koninkrijk van God. De geest van God is in je en schrijft op de tafel in je hart. Halleluja. Als je een huurhuis krijgt, moet je ook weten dat je huurtoeslag en zorgtoeslag krijgt. Halleluja. In het woord van God liggen veel zegeningen besloten. Halleluja.”

Christen worden

Een Iraanse computerprogrammeur schuift aan. Hij kwam al in 1992 naar Nederland, raakte bevriend met Ismaël en is niet gelovig. Weet de verslaggever wel dat Iraniërs zich soms tot het christendom bekeren om hun kans op een verblijfsvergunning te vergroten? „Ik veroordeel niemand”, fluistert hij, „maar wat je hier hoort en ziet, is niet per se waar.” Christenen uit Iran krijgen categorisch een verblijfsvergunning – in Iran zijn zij en hun familie hun leven niet zeker. „Als ik nu in hun schoenen zou staan, had ik dat misschien ook moeten doen.”

De motivatie om christen te worden is een vrije keuze, had voorganger Tan vooraf verzekerd. De dopelingen kregen bijbellessen bij hem thuis, een tolk stond hem bij. Ze vertelden over hun vlucht, lazen in de Bijbel en spraken over Jezus die in hun plaats aan het kruis is gestorven als verlosser. Vragen waren er volop. Over vrijheid versus plicht en sociale controle. Over Jezus als nieuwe meester. En over grenzen en zonde. Mag een christen wijn drinken? Roken? Gaat hij naar het strand waar ook vrouwen zonder kleren zitten?

Bij drie jonge twintigers, voorheen moslim, aarzelde de predikant. Lieten die zich dopen uit opportunisme, om een verblijfsvergunning te krijgen? Ze hadden zich maar twee keer in de kerk laten zien. De voorganger nam ze apart. „Zijn jullie bereid je wil ondergeschikt maken aan die van Jezus?” Dat beaamden ze en nu zitten ook zij hier in wit kleed blootsvoets voor hem.

Tan: „Ik besef dat ik niet alwetend ben. Maar God weet het.”

Als je een huurhuis krijgt, moet je ook weten dat je huurtoeslag en zorgtoeslag krijgt. Halleluja

Voorganger Tan

Broeder Ismaël, ook in het wit: „We moeten vertrouwen op God.”

Predikant Tan: „God is barmhartig. Het is moeilijk praten met mensen die zich afvragen of ze veilig zijn. De taal is een handicap. En we kunnen mensen niet binnenstebuiten keren.”

Broeder Ismaël: „De motieven van de vluchtelingen zijn privé. Of ze het doen voor de procedure of om een andere reden – dat moet iedereen zelf weten. Het is mijn taak de mensen naar God te brengen.”

Ook als ze je geloof lenen en God gebruiken? Broeder Ismaël haalt zijn schouders op: „De geest van God leidt ons op de paden die we moeten gaan. We leven samen in liefde in het omniversum van de Here Jezus.”

Predikant Tan: „Na de doop houden we contact. Als ze niet moeten verhuizen, gaan we verder met bijbelstudie en geeft mijn vrouw Nederlandse les. Voor niks. Dat is onze roeping.” Lachend: „Ja, we moeten geld meebrengen om hier voorganger te zijn. ”

Pak aan, een wonder!

De dopelingen gaan staan en getuigen om de beurt van hun liefde voor God. Soms met een indringende ervaring. Het echtpaar leest bijbelverzen voor van een briefje. Ali Reza, een glimmend kruis om zijn nek, werd belachelijk gemaakt toen hij probeerde Gods woord door te geven. Een imam besloot niet langer te prediken toen hij ontdekte dat kritiek in de fundamentalistische islam taboe was. Hij werd naar Irak verbannen. „Van God kreeg ik eten, geld, werk. En toen droomde ik dat de regen mijn zonde als modder van dit lichaam spoelde.”

Dan krijgt een van de twintigers het woord. De predikant knijpt zijn ogen tot spleetjes. De jongen vertelt dat hij tijdens zijn vlucht naar Europa met zijn vrienden meermalen de dood in de ogen keek. Vanmorgen vertrokken zij naar de kerk, hij bleef achter. „Maar ik dacht: nee, ik moet deze kans niet voorbij laten gaan.” Hij ging lopen, zonder dat hij wist waar hij heen moest. Hij bleef lopen. „En toen heeft Jezus me bij de hand gepakt en me de weg naar de kerk gewezen.”

„Pak aan!”, roept de voorganger. „Een wonder!” Hij springt op het podium, op en neer. „Ik denk dat jij een van de eerste wonderen hebt meegemaakt. De Heilige Geest laat je Zijn liefde voelen.”

De zaal klapt, de christenen heffen hun armen in de lucht, sommigen huilen. Tan, in tranen: „Ik ben blij dat jij hier bent. We laten je niet meer in de steek. Jezus is een trooster. Amen.”

Een voor een stappen de dopelingen het bubbelbad in. Broeder Ismaël en gemeenteoudste Adeyemi Banjo trekken hen achterwaarts kopje-onder, het water in. Druipend komen ze weer boven, om zich daarna met een handdoekje, snel, snel, snel, in de kleedkamer op te knappen. Het zondagse pak moet aan. De gemeenteleden hebben „een fantastisch warm buffet” klaargemaakt.

Buiten de kleedkamer wacht Ismaël de twaalf op. Ze stralen, allemaal. Hij reikt het doopcertificaat uit. „Goed bewaren, dat kun je misschien nog gebruiken.” En hij heeft er nog een cadeautje bij. Derlon-scheergel voor de mannen en een lekker geurtje „voor de dame”. Maar waar is de enige vrouw die gedoopt werd? Waarom eet ze niks van de Indonesische rijsttafel? Shawareh neemt nog een hap van haar sholezard, Iraanse cake. Die is hemels, prijst ze. „Maar is de rijsttafel wel halal?”