Wees eerlijk tegen kinderen over de dood

Rouw Kinderen vinden zelf manieren om met de dood om te gaan, schrijft Alma Mathijsen, die negen was toen haar vader doodging. ‘Ik denk dat ik het toen nodig had, een moeder die niet huilde.’

Foto Getty

Ik las een boek dat me omver wierp. Het gebeurt zelden, eens in de zoveel jaar, dat ik een boek lees dat de wereld zoals ik die ken doet schudden. Ineens moet ik opnieuw nadenken over dingen waarvan ik allang dacht te weten hoe ze in elkaar steken.

Het onlangs vertaalde Verdriet is het ding met veren van Max Porter is zo’n boek. Hierin moeten een vader en zijn twee zoons leren leven met het plotseling overlijden van hun vrouw en moeder. Op een avond doet een kraai zijn intrede in het huis, het dier zal hen niet verlaten tot de ergste rouw voorbij is.

Het boek gooit me terug in mijn vroegste jaren en dwingt me na te denken over hoe ik mezelf aangeleerd heb met rouw om te gaan.

Ik herinner me een vriend, ik was heel jong, mijn allereerste vriend. Hij woonde om de hoek, ik groeide op in Amsterdam, waar geen kinderen waren om mee te spelen als je de straat op liep. Spelen deed je thuis.

Chris kwam naar mij, ook al stonden er in onze woonkamer veel spullen die hij kon omstoten. Zijn ogen waren wit en konden zich nergens op richten, hij was blind. Vier jaar moeten we zijn geweest. Ik stopte speelgoed in zijn handen, zo bouwden we samen huizen. Soms trokken we de hond sokjes aan en schoven hem over het parket. De hond protesteerde niet, hij was ook een vriend.

Ik was nogal eenkennig en maakte geen vrienden in de kleuterklas, en dat was ook niet nodig want ik speelde met Chris. Mijn moeder vond het goed, totdat Chris verhuisde. Zesjarige meisjes kunnen erg boos zijn en dat was ik. Ik wilde naar hem toe, maar mijn moeder zei dat ze zijn nieuwe adres niet wist. Langzaamaan dacht ik steeds minder aan Chris, maar ik vergat hem niet. Toen ik de film Het zakmes zag, wilde ik net als het jongetje uit die film zelf op zoek gaan naar Chris, maar ik wist niet waar.

Niet lang geleden kwam hij zomaar ter sprake tijdens een gesprek met mijn moeder.

„Afschuwelijk”, zei ze.

„Wat” vroeg ik.

„Dat een jongen zo vroeg dood kan gaan.”

Mijn moeder was haar eigen leugen vergeten. Al die tijd had ik gedacht dat mijn allereerste vriend was verhuisd. Mijn moeder had me voorgelogen, me willen behoeden voor verdriet.

Al die tijd had ik gedacht dat mijn allereerste vriend was verhuisd. Mijn moeder had me voorgelogen

Verdriet is het ding met veren gaat precies daarover, de verhalen die we elkaar vertellen als we aan het rouwen zijn. Uit de leugen van mijn moeder doemt haar eigen angst op, angst om een kind bloot te stellen aan een wereld vol pijn. Maar ook angst voor de mogelijkheid om zelf een kind te verliezen. Het is beter om die gedachte nog even weg te stoppen, moet haar onderbewuste haar hebben toegefluisterd.

Zes jaar oud was ik toen ik geloofde dat een vriendje naar een andere stad, zonder duplo en roze sokjes, was verhuisd. Zonder een bericht voor me achter te laten.

Ik stopte het gemis weg door te accepteren dat hij onbereikbaar was.

Drie jaar later stierf mijn vader. Mijn moeder hoefde me helemaal niets te vertellen, ze liep binnen en omhelsde de buurman, waar ik die nacht logeerde, heel erg lang. Met mijn armen om de trapleuning keek ik ernaar, zo wist ik van de dood van mijn vader.

Met het boek in mijn hoofd, haal ik de foto’s van die tijd uit de kast. Er is er een die in het oog springt. Mijn neef en ik hebben onze jassen over de grafsteen van mijn vader gelegd, blijkbaar willen we die onthullen. Het moment dat de foto wordt genomen trekken we de jassen weg, we hebben allebei onze mond open van het lachen, mijn haar vliegt wild in de lucht. Blijkbaar was het hilarisch.

Ik herinner me dat mijn moeder me vroeg om mee te gaan naar het graf, het moet weer een paar maanden later zijn geweest. Ik weet nog wat ik zei:

„Alleen als je niet gaat huilen.”

Mijn moeder moest een moeder blijven, moet ik hebben gedacht. Ze mocht niet zichtbaar rouwen. Zo werkt een negen jaar oud brein. Misschien niet de beste manier om met een dode vader om te gaan, maar het is een manier.

En dat is alles wat ik toen nodig had, een manier om er mee om te gaan.

Tijdens een vakantie in Italië, ik was een jaar of veertien, kropen de andere kinderen uit het dorp en ik dichter bij het kampvuur. Als je terug in de tijd kon gaan, wat zou je dan veranderen, was de vraag. De meesten zeiden iets over geld of snoep. Eenmaal bij mij aangekomen, zei een van de jongens dat ik niet hoefde te antwoorden, omdat het duidelijk was wat ik zou willen: ik zou de tijd terug willen draaien om de dood van mijn vader ongedaan te maken. Het was niet in me opgekomen, ik had bedacht dat ik in hetzelfde jaar als Leonardo DiCaprio geboren had willen zijn, zodat ik een grotere kans maakte bij hem. Ik durfde het niet meer te zeggen en knikte. Die nacht en de dagen erna schaamde ik me, omdat ik niet gelijk aan mijn vader had gedacht. Tot ik begreep dat ik de dood aanvaard had, daar moet je niet mee onderhandelen.

Een kind bedenkt manieren om rouw dragelijk te maken. Dat deed ik. Door Verdriet is het ding met veren besef ik hoe strategisch ik toen ook al was. De dood verdraaglijk maken door afstand te houden en de rouw uit te smeren. Ik denk dat ik het toen nodig had, een moeder die niet huilde.

Veel later, aan tafel bij mijn moeder, in de tuin van het huis waar ik ben opgegroeid maar niet meer woonde, toen we samen praatten over mijn laatste boek, heb ik haar zien huilen om mijn vader. Om de onmogelijkheid om samen een kind op te voeden, zoals ze het hadden afgesproken.

Een overlevingstactiek

Mede door boeken als dit begrijp ik waarom ik me als kind zo gedroeg, waarom ik verdriet niet wilde zien. Het was een overlevingstactiek. En dat deed ik, overleven, ik deed het heel goed. Kinderen kunnen verdriet aan, beter dan de meeste mensen denken. Toen mijn moeder voor het eerst werd geconfronteerd met mogelijk verdriet in het leven van haar dochter, koos ze ervoor om dat af te schermen. Ik weet niet wat ouders hun kinderen nu vertellen, ik hoop dat het eerlijk is. Zoals mijn moeder me vertelde over de dood van mijn vader door de buurman te omhelzen.

Zes jaar was ik toen ik geloofde dat een vriendje was verhuisd

Iemand vroeg me ooit, ik was ver in de twintig, of ik het overlijden van mijn vader had verwerkt. Dat woord ‘overlijden’ stond me al tegen, ik hou van het woord dood, het is hard en gevaarlijk, net als het leven. Zijn vraag maakte me boos, al liet ik het niet merken.

Eenmaal thuis zag ik dat mijn nagels rode striemen in mijn handpalmen hadden achtergelaten. Ik was met gebalde vuisten naar huis gelopen. Op dat moment wilde ik wel terug in de tijd om tegen die jongen te zeggen dat ik de dood van mijn vader nooit zal verwerken. Als ik daar afstand van zou moeten doen, pas dan zal ik echt niet meer weten wat ik met mezelf aan moet. Rouw duurt een heel leven. Al neemt het constant andere vormen aan. En soms is het een kraai.