Cavia maakt carrière in de communicatie

Het is een cavia, stupid. Dit verhaal mag zich dan afspelen in een kantoortuin, waar de collegaatjes op twee benen lopen en geen vacht hebben, maar de hoofdpersoon van De verwarde cavia is toch echt een cavia. Genaamd Cavia.

Het is wel een goed teken dat je af en toe, met een subtiele verwijzing naar bijvoorbeeld haar vacht die door de war zit, eraan herinnerd moet worden dat het niet eigenlijk gaat om een caviaëske vrouw die de naam Cavia draagt, maar wel degelijk om een knaagdier met een antropomorf bestaan. Die kunstgreep, die ook leidde tot de leuke flaptekstgrap ‘Eindelijk! Een boek over een cavia die op kantoor werkt!’, maakt bovendien dat De verwarde cavia uitstijgt boven de aaneenschakeling van humoristische ‘kantooravonturen’ die het ook is.

In korte hoofdstukjes – die nog enigszins de feuilletonvorm waarin ze geschreven zijn verraden – tekent columnist en cabaretier Paulien Cornelisse miniatuurtjes van het kantoorleven, dat zich afspeelt rond de nietmachine en de pantry. Het is een biotoop die zich onderscheidt door zijn lulligheid en zinloosheid, die de collega’s ertoe aanzetten om de grenzen van wat nog humor is op te zoeken. Die ongein kennen we van Voskuils Het Bureau, van de BBC-serie The Office of de NRC-columns van Japke-d. Bouma: wat het kantoorgenre kenmerkt is dat het soms pijnlijk ironisch is, soms geruststellend.

Dat voel je bij Cornelisse ook. Cavia is een wat paniekerige en neurotische medewerkster, die iets doet in de communicatie (maar liever niet al te véél in de communicatie). Het leven op haar onbestemde kantoor verloopt zo: ‘Cavia typte een nieuwsbrief. Pas toen ze hem bijna wilde versturen zag ze dat er ‘nieuwsbroef’ boven stond.’ Enzovoorts. Opvallend is de nadruk op de taal, immers Cornelisses ding. Ze zet kantoorjargon, zelfverwerkelijkende lifestyleclichés (‘Maar daar is hij natuurlijk sterker uitgekomen’) en nodeloze vultaal (‘Ja, nee, maar’) in om haar personages uiterst realistisch te maken.

De overgave en ernst waarmee ze haar personages tekent, geven het verhaal iets weemoedigs. Het is zo realistisch dat het gaandeweg meer wordt dan slechts spottende satire. Want het mag dan troosteloos lijken voor de buitenstaander, Cavia lijkt het ook wel prettig te vinden om ‘even echt in alle rust mijn tanden in die mailing [te] zetten’. De kantoortuin is Cavia’s habitat, haar gouden kooi: de grens tussen hier te moeten en te mogen werken, is waar het verhaal in De verwarde cavia over gaat. De status quo komt onder druk te staan als ze Enzo ontmoet, ook een cavia die op kantoor werkt, die meer wil van het leven en foodtruckuitbater wordt. Wil Cavia dat misschien ook? Of is dat niets voor haar?

Dat zijn relevante vragen – voor een hedendaags mens met een kantoorbaan, maar al helemaal voor een verwarde cavia. Maar wat is eigenlijk het verschil tussen die twee? ‘All of us are guinea pigs in the laboratory of God’, is het aan Tennessee Williams ontleende motto van dit boek, dat een literaire bevestiging daarvan is. Literair, ja? De ‘kantooravonturen’ van Cornelisse hebben geen literaire pretentie, maar zijn zo geslaagd ironisch, ambivalent en zonder oordeel – dat mag je best literair vinden.