Zeg eens nee tegen al dat participeren

Zelf je kast monteren is goedkoper voor iedereen, ontdekte IKEA. Dat doe-het-zelf principe geldt nu in de hele samenleving. Straks zitten tuinman en verpleger zonder werk, waarschuwt Margo Trappenburg.

illustratie rik van schagen

Het is weer eindexamentijd, met daaraan voorafgaand: het beroepskeuze gesprek tussen ouder en kind. Jongeren die op hun achttiende nog dromen over een carrière als profvoetballer of concertpianist moet dit voorzichtig uit het hoofd worden gepraat (‘Messi is een uitzondering lieverd, met voetballen kun je je brood niet verdienen’).

Slimme ouders proberen te bedenken welke beroepen op korte termijn worden weg-geautomatiseerd. Ze lezen bijvoorbeeld het rapport The Future of Employment uit 2013, van de Oxford Martin School. De auteurs probeerden voor enkele honderden beroepen vast te stellen of ze ten prooi zouden vallen aan digitalisering. Op basis van dit rapport kan je kind beter niet kiezen voor een baan bij een verzekeringsbedrijf of een functie als boekhouder (‘scheidsrechter ook niet lieverd, dat is een beroep wat binnenkort zou kunnen worden gedigitaliseerd’).

Maar wat dan wel? Wat moeten we zeggen tegen een dochter die, zoals het in de folders van haar schooldecaan heet, goed is met mensen: empathisch, geduldig en sociaal? Zo’n meisje zou kunnen denken aan functies als helpende zorg en welzijn, sociaal-cultureel werker, maatschappelijk werker of sociaalpedagogisch hulpverlener. Is dat een goed idee? Deze beroepen staan niet op de nominatie om te worden gedigitaliseerd. Niettemin zijn de vooruitzichten ook voor afgestudeerden in deze richting somber. Dat heeft te maken met de opmars van het Ikea-principe in de hulpverlening.

Sommige beroepen verdwijnen omdat het werk in kwestie niet meer bestaat (kolenboer, stadsomroeper, ponstypiste). Bij andere beroepen bestaat het werk nog wel, maar het wordt gedaan door andere mensen tegen andere voorwaarden. In het geval van Ikea: de kast wordt niet meer gemaakt door een timmerman tegen betaling maar gratis gemonteerd door de consument.

De participatiesamenleving zit vol met toepassingen van het Ikea-principe: het stadspark wordt niet meer bijgehouden door een betaalde tuinman van de plantsoenendienst, het wordt ‘teruggegeven aan burgers’ die ervoor mogen zorgen in hun vrije tijd. Of het wordt aangeharkt door werkloze burgers (wegbezuinigde tuinmannen?), als tegenprestatie voor hun uitkering. Kwetsbare bejaarden worden veel minder verzorgd door betaalde thuiszorgmedewerkers. Ze worden gratis geholpen door hun kinderen, overige familieleden of vrijwilligers (ontslagen hulpverleensters?).

In het welzijnswerk moeten maatschappelijk werksters hun cliënten overdragen aan hun netwerk (familieleden en vrienden). Als er geen netwerk is, wordt er gezocht naar lotgenoten of ervaringsdeskundigen: psychiatrische patiënten kunnen worden geholpen door mensen die zelf vroeger psychotisch zijn geweest, mensen die het slachtoffer werden van huiselijk geweld door anderen die hetzelfde hebben meegemaakt. Of er wordt ingezet op een maatjesproject, een buddysysteem of nog andere vormen van gratis hulp met mooie namen.

De verzorgingsstaat: verfijnd systeem van arbeidsdeling

Het Ikea-principe wordt vaak gepresenteerd als iets wat ons overkomt: ‘de burger van nu accepteert geen stadsreiniging meer; die wil zijn eigen vuilnisbak adopteren’; ‘de samenleving kantelt naar een doe-het-zelf maatschappij en daar moeten organisaties – liefst proactief! – op inspelen’.

Dat is onterecht. Tegen het IKEA-principe valt wel degelijk iets te doen, als we ons beter realiseren hoe het precies werkt. We zijn als mensen allemaal heel veel dingen tegelijk. We zijn vader, moeder, zoon, dochter, partner, consument, werknemer, belastingbetaler, spaarder, aandeelhouder en kiesgerechtigd burger. De herverkaveling van werk door toepassing van het IKEA-principe is vaak in het belang van een van deze rollen.

Als IKEA zijn kasten de helft goedkoper kan maken door de montage te verschuiven naar de koper, profiteren wij daarvan als consument. Als kwetsbare ouderen gratis worden verzorgd door hun kinderen, profiteren wij daarvan als premiebetalende burgers. Als hulpbehoevende burgers terecht kunnen bij onbetaalde maatjes scheelt dat in de gemeentelijke begroting.

Maar we zijn niet alleen consument, aandeelhouder en belastingbetaler. We zijn ook werknemer, we kunnen meeleven met andere werknemers. Met de ontslagen tuinman die het stadspark mag aanharken in ruil voor een uitkering. Met de thuiszorgmedewerkster die vrijwilligster in het verpleeghuis moet worden. We zijn zonen en dochters van kwetsbare ouderen; we doen al erg ons best om onze mantelzorg te combineren met ons werk en we zijn in die rol niet blij met de opdracht nog een paar tandjes bij te zetten.

De klassieke verzorgingsstaat was niet alleen een schild voor de zwakken. Ze was ook een verfijnd systeem van arbeidsdeling. Technici, financieel deskundigen en metselaars konden bruggen bouwen, bankieren en muurtjes optrekken. Mensen die goed waren met mensen konden terecht in een scala van functies in de hulpverlening.

Willen we dat systeem nu echt vervangen door de ingewikkelde ruileconomie van de participatiesamenleving? Wat zeggen we tegen zonen en dochters die geduldig en empathisch zijn, die goed zijn met mensen? Heel fijn schat, daar maak je vrienden mee, maar daar kun je je brood niet mee verdienen?

De participatiesamenleving is geen onafwendbare ontwikkeling; tegen het IKEA-principe kun je protesteren. Zeg eens nee tegen de vraag om de handen uit de mouwen te steken als vrijwilliger in de zorg. Ga niet nog harder mantelzorgen. Weiger het stadspark te gaan bijhouden of de vuilnisbak te adopteren als buurtbewoner. Denk aan de tuinman en de vuilnisman. En aan al onze zonen en dochters die zo graag iets zouden willen doen met mensen. Tegen betaling.

    • een onzer redacteuren