Wilfried de Jong interviewt slagwerker Laura Trompetter over haar gereedschap

De bolletjes aan haar stokken zijn omwonden met wol. Op de houten toetsen van een marimba bepalen ze de klankkleur. Slagwerker Laura Trompetter (26) over haar liefde voor mallets.

Laura Trompetter (l) met Wilfried de Jong Foto: Merlijn Doomernik

In een openbaar toilet stond Laura Trompetter zich op te maken voor een concert. Ze hoorde bij het lostrekken van het dopje op de lippenstift een zuigend geluidje. Smak. En als ze met het lippenstifthoudertje nu eens tegen het dopje aantikte? Klonk weer heel anders. Tok-tok. „Opeens hoorde ik overal iets bijzonders in. Zelfs het borsteltje van mijn waterproof mascara klonk cool.”

Met de alledaagse klanken kon Laura het slagwerk­arsenaal uitbreiden. Haar duo – met Maria Martinez Paya – heet sindsdien Lip Stick Percussion Duo. Voor een optreden gaan de opmaakspullen mee, maar zonder de traditionele stokken – de mallets – kan en wil ze niet.

Liefkozend houdt ze de bolletjes als een boeket in haar handen. Ze zijn allemaal anders: pluizig, glad, donker, licht, zacht, hard, omwonden met ragfijne of juist ruwe wol. „Op alle stokken staat een cijfer en een letter: 23 R. De R staat voor ‘rattan’, buigzaamheid. Hoe hoger het cijfer, hoe buigzamer de stok. Bij vibrafoon heb je het liefst een stok die lekker buigt, dan klinkt het geluid langer door. Bij een marimba kun je beter ‘birch’ hebben. Dat wil zeggen: stijver.”

Voor elk stuk een eigen bolletje

„Voor een setje mallets ben je zo 30 euro kwijt. Maar je hebt ze ook van 100 euro, gemaakt door een stokoud Japans vrouwtje, Keiko Abe. Het hangt ervan af wat je speelt, het is altijd zoeken naar de beste stok. Laatst speelden we het Italiaans Concert van Bach op marimba, dat is oorspronkelijk voor twee klavecimbels gecomponeerd. Dat moet licht klinken dus speelden we met een rubberen bolletje.”

Foto: Merlijn Doomernik

Foto: Merlijn Doomernik

Vies tennistape

Uit de tas trekt ze haar favoriete mallets. Ze zijn bij het uiteinde omwonden met vies geworden tennistape. Vanwege de grip. „Tijdens een concert krijg ik soms van die zweethandjes. Dan denk je voortdurend: straks glippen ze uit mijn vingers. Kijk, de draadjes wol beginnen los te laten. Het hangt van het type wol af, maar zo’n bolletje slijt snel. Soms gaat het daar beter van klinken, dan sla je al een beetje met de harde kern.”

Tijdens de landelijke finale van het prestigieuze Prinses Christina Concours stond Laura als 15-jarige achter de marimba. In een heftig stuk knalde het bolletje van een stok. Het vloog – fjjiet! – zo het publiek in. „Wat moest ik met drie stokken? Iemand uit de zaal kwam mijn bolletje terugbrengen, het was in haar nek gevlogen. Het bleek de burgemeester van Fijnaart te zijn, het dorp waar ik toen woonde.”

Telg uit een muziekfamilie

Laura groeide op in een muzikale familie in ’s-Gravendeel. Het hele gezin zat in de fanfare Na Lang Streven. Moeder met haar sax, net als Laura’s zus, en stiefvader met zijn tuba. „Ik was zo’n jongensmeisje met kort haar en een trainingspak aan. Mijn broer was gabber. Ik zag al die blazers met die rode koppen, die gingen helemaal dood. Ik koos voor drummen, lekker relaxed rammen.”

Rond haar negentiende wilde ze stoppen met haar studie op de Rotterdamse Kunstvakhogeschool Codarts. „Ik repeteerde niet meer en was de kick van het optreden kwijt. In die tijd was ik nog superverlegen. Ik moest uitzoeken wat ik wilde en ben naar Rome vertrokken. Zonder geld, zonder werk. Ik woonde er samen met een vriendje en werkte als propper: flyers uitdelen, toeristen veel laten zuipen. House en bubbling, de hele nacht door. Ik kreeg volop aandacht, dat was heel goed voor mijn zelfvertrouwen.”

“Ik laat me niet meer beperken. Ik luister anders naar de wereld.”

Na een halfjaar Rome begon ze haar mallets te missen. Veertien jaar lang staat ze nu al met mallets achter het slagwerk. Nog een jaar, dan heeft ze haar ‘master’. De bolletjes draaien in haar handpalm langzaam om hun as. „Ik ben perfectionistisch in mijn spel, voor de rest is mijn leven een puinhoop. Ik ben nog heel erg zoekende, maar hier bij Codarts kan ik mijn gang gaan. Als ik over de trap loop, ga ik met mijn hand langs de spijlen van de leuning. Dat zijn net kerkklokken. Ik laat me niet meer beperken. Ik luister anders naar de wereld.”