Wie is er bang van een kalf?

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

De ex-echtgenote van Roel van Duijn, Josti (1946), is opgegroeid in een door de oorlog getraumatiseerd gezin. Haar vader, Herman Reef, leed onder een concentratiekampsyndroom, maar ook onder de verhouding die zijn vrouw Leen had met een hoge SD-functionaris. Was Leens seksuele ontrouw een vorm van verraad of een bewuste poging haar man te redden?

Herman was lid van een communistische verzetsgroep bij Hazemeijer Signaal in Hengelo. Na een mislukte aanslag op een trein viel de groep door verraad in handen van de SD. Vijftien gijzelaars werden als represaille door de Duitsers geëxecuteerd. Na hun arrestatie in oktober 1942 ondergingen de leden van de Hazemeijergroep zware folteringen in de kerkers van de SD in Arnhem en in de concentratiekampen Amersfoort en Vught. Herman wachtte de doodstraf, vier van zijn kameraden kwamen voor het vuurpeloton. Met zes medegevangenen werd Herman in april 1944 pardoes vrijgelaten. Zijn vrouw Leen had zich kort tevoren met enkele hoge SS’ers bij het kamp Vught vertoond.

In Verraad [1] is Van Duijn er honderd procent van overtuigd dat Leens relatie met de SD-man een verzetsdaad is geweest. Halverwege zijn boek maakt zijn zorgvuldige feitenonderzoek echter plaats voor een poging tot inleving in de gevoelens van Leen, waarbij hij zijn toevlucht neemt tot fictieve dialogen. Niet te controleren en dus als geschiedschrijving onbetrouwbaar.

Of de kwetsbare personages die Wilfried de Jong kopje onder laat gaan in zijn melancholieke verhalenbundel Zweefduik [2] historische figuren zijn of niet, doet er weinig toe. Wat telt is de tedere blik waarmee de vertellende ik-figuur hen beziet. Met mededogen beschrijft hij een saxofonist die verdrinkt in zijn muziek, een Romeinse waternimf die alles over heeft voor haar ongeboren kind en een pukkelige puber die van de Rotterdamse spoorbrug De Hef springt om zijn verdronken vader te eren. De Jongs helden doen denken aan Nescio’s Titaantjes, aardige jongens, een beetje schlemielig, met wie het minder goed afloopt dan ze hadden gehoopt. De een eindigt in een gekkenhuis, de ander halfdood op de drempel van een sauna en een derde als slak in een rolstoel. In de empathische vertelstem die hen tot leven wekt, herkennen we die van presentator en interviewer Wilfried de Jong. Zware zaken maakt hij licht met zijn droge humor en zijn nuchtere taalgebruik. Fictie op zijn best, die de grauwe werkelijkheid overstijgt.

Verliefdheid op een land, een streek, een buurt, een huis en een daarbij behorende fantasie over een ideale manier van leven kent waarschijnlijk iedereen, maar slechts weinigen durven zich over te geven aan een amour fou zoals Hendrickje Spoor van jongs af aan voelt voor Frankrijk. Zestien jaar geleden verliet ze haar Nederlandse echtgenoot om in Parijs een bestaan als schrijfster op te bouwen. Dat viel tegen.

Parijs was niet meer de romantische stad waar ze ooit had gestudeerd. Met een ook nogal tegenvallende Franse minnaar belandde ze in de campagne. Uiteindelijk vond ze na enige omzwervingen het huis van haar dromen in een gehucht in de Bourgogne: La France profonde. In Frankrijk. Een liefdesgeschiedenis [3], beschrijft Spoor met realiteitszin en humor dat het chauvinistische, bekrompen en in zichzelf gekeerde land geen gemakkelijke amant is. Je moet veel moeite doen om hem te behagen, maar als dat lukt, heb je ook wat, zeker als de Franse taal de liefde van je leven blijkt. ‘Frans praten is als cocaïne gebruiken: totale euforie. (…). Het Frans veranderde niet alleen mijn manier van denken, maar ook hoe ik de dingen onder woorden breng, in welke taal dan ook. En op den duur heeft het me gemaakt tot wie ik ben.’

‘Mijn seksuele verlangens worden iedere dag sterker. De kip, de geit, de teef, het kalf dat zijn mijn vrouwtjes. Bij de teef doe ik een zeef over haar kop, de geit bind ik vast, en verder… Wie is er bang van een kalf of een kip?’ Dit is geen cabarettekst ter belediging van Erdogan en ook geen parodie op het proza van Theo van Gogh. Al in 1973 beschreef de Marokkaanse Mohamed Choukri (1935-2003) zichzelf als ‘geitenneuker’ in zijn wereldwijde bestseller Hongerjaren [4]. Deze verpletterende autobiografische roman over het leven van een analfabete Riffijn, die opgroeide onder de Spaans-Franse bezetting van Marokko, verscheen in 1982 voor het eerst in een Nederlandse vertaling. Het rauwe, niets en niemand ontziende verhaal over primitieve moslims die hun zoons opvoeden tot gewelddadige criminelen en hun dochters tot slavinnen, hebben nog niets aan actualiteit ingeboet. Terecht opnieuw uitgegeven in de reeks ‘Berberbibliotheek’.