Wereldwijde stamboom van mannen

Mannelijke chromosomen onder de elektronenmicroscoop. Science Photo Library

Sommige mannelijke geslachten hebben extreem veel nakomelingen gekregen. Het DNA van deze expansieve families of volken is tot op de dag van vandaag nog terug te vinden in de Y-chromosomen van mannen. Dat maakten genetici van het 1000 Genomes Project deze week bekend (Nature Genetics, 25 april).

Het Y-chromosoom is het mannelijke geslachtschromosoom dat van vader op zoon overerft. Voor genetici is het Y-chromosoom interessant, omdat het laat zien hoe mannen aan elkaar verwant zijn. Unieke mutaties op het Y-chromsoom (haplogroepen) zijn als bladwijzers die bepaalde mannelijke afstammingslijnen markeren.

Voor het 1000 Genomes Project hadden genetici al het DNA van 1.244 mannen verzameld. De genetische informatie van het Y-chromosoom is nu gebruikt om een wereldwijde stamboom van mannen te reconstrueren.

Daaruit bleek dat de laatste mannelijke voorouder waar álle mannen van afstammen ongeveer 190.000 jaar geleden leefde, in Afrika. Vanaf zo’n 50.000 jaar terug groeide het aantal Y-chromosomale haplogroepen buiten Afrika. Rond deze tijd vestigden zich de eerste mensen in Eurazië.

Op elk continent vonden genetici vervolgens aanwijzingen voor grote verschuivingen in de genetische samenstelling van mannen. In Europa valt bijvoorbeeld op dat er vanaf 5.900 tot 4.800 jaar geleden steeds meer mannen met een bepaalde haplogroep (R1b-L11) leven. Die periode valt samen met de opkomst van de Trechterbekercultuur in West-Europa. In Afrika bezuiden de Sahara vonden de genetici aanwijzingen voor een expansie vanaf 5.000 jaar geleden. En ook in India breidde vanaf ongeveer vanaf 4.500 jaar geleden een bepaald mannengeslacht zich uit (R1a-Z93).

De onderzoekers spreken van bevoorrechte mannelijke lijnen, die generaties lang nakomelingen konden verwekken ten koste van andere mannen. Mogelijk gaat het om volken met een technologische voorsprong of een bepaalde strijdtechniek, waardoor zij die dominantie konden afdwingen. Hoe dan ook: bij vrouwelijke afstammingslijnen zijn zulke grote effecten nog nooit gezien.

De enige uitzondering op deze regel was Oost-Azië. Hier vonden de onderzoekers geen aanwijzingen voor een plotselinge uitbreiding. De genetici opperen dat hier al langer prehistorische culturen naast elkaar leefden, zonder dat één de andere kon overheersen.