Weg met de oude politiek, 50 jaar later

Halve eeuw D66 Op 30 april 1966 kwamen dertien mannen bijeen in het Amsterdamse Hotel Krasnapolsky. Kort daarna werd D66 opgericht, om nieuw leven in de democratie te brengen. Twee kijken terug. „Eigenlijk had ik niets met Van Mierlo.”

Na de snelle handdruk in de hotellobby nemen ze elkaar een kort moment van top tot teen op. De één is 80 jaar, de ander 76. „Je ziet er goed uit.” „Dank je, jij ook.”

Vijftig jaar geleden zagen ze elkaar op deze plek voor het eerst: Arie van der Zwan en Reinier Heijting. Afgezien van een reünie, tien jaar later, is het bij die ene ontmoeting gebleven.

Foto Merlijn Doomernik

Reinier Heyting (links) en Arie van der Zwan, mede-oprichters van D66. Foto Merlijn Doomernik

Tot deze middag dus. Weerzien in Hotel Krasnapolsky aan de Dam in Amsterdam. Op dezelfde plek als waar ze vijftig jaar geleden, op 30 april 1966, Koninginnedag, met nog elf anderen bij elkaar kwamen om te praten over hoe het nu verder moest met Nederland, met de politiek, met hun ideeën, en met henzelf. Het land en vooral Amsterdam, was in de ban van, zoals het heette, „de gezagscrisis”. Opstandige jeugd, versus paniekerige autoriteiten. Rookbommen tegen gummilatten.

In de Prins Bernhardzaal van het toen ook al statige hotel, werd de kiem gelegd voor wat enkele maanden later D’66 zou worden en nu nog altijd, maar dan zonder apostrof, D66 is. De dertien kwamen bij elkaar op initiatief van de 34-jarige Hans Gruijters, journalist bij het Algemeen Handelsblad, mede-eigenaar van de hoofdstedelijke Bamboo Bar en, totdat hij op 21 maart 1966 de partij met ruzie verliet, lid van de gemeenteraad voor de VVD.

Het broeide in de stad. Provo tartte de autoriteiten met ludieke happenings, het huwelijk van Beatrix en Claus werd met rookbommen verstoord. In Den Haag worstelden de politieke partijen niet alleen met elkaar maar ook met zichzelf.

Het gezag stond ter discussie. „We wilden er zo graag wat aan doen, maar we wisten niet hoe”, zou één van de dertien, Hans van Mierlo, later verklaren. Daarover wilden ze praten in ‘Kras’. Om de politiek op te schudden. Of om misschien zelf wel met een nieuwe partij die politiek in te gaan. Om af te rekenen met de ondoordringbare bestuurscultuur.

Twee deelnemers, onder wie Arie van der Zwan, verlieten de vergadering voortijdig, omdat zij zich inhoudelijk niet konden verenigen. De andere elf besloten sympathisanten te zoeken. Zij verenigden zich in het 36 mensen tellend initiatiefcomité D’66 dat zich op 15 september 1966 met een „appèl aan iedere Nederlander die ongerust is over de ernstige devaluatie van onze democratie” presenteerde. De oproep sloeg aan. Een maand later werd de politieke partij D’66 opgericht. Een partij die bekend zou worden met zijn voorstellen voor radicale vernieuwing: rechtstreekse verkiezing van de minister-president, invoering van een districtenstelsel, opheffing van de Eerste Kamer, verkiezing burgemeester door de gemeenteraad. Maar zover was het allemaal nog niet, op die Koninginnedag in 1966.

„Volgens mij was die zaal hier, rechts van de ingang”, zegt Arie van der Zwan (80). „Nee, het was aan de andere kant, links van de ingang”, corrigeert Reinier Heijting (76). Het maakt niet uit. De Bernhardzaal bestaat niet meer. Rechts is nu de VIP-room, links zit het Grand Café van Krasnapolsky.

Dertigers en veertigers waren het. Plus één twintiger: de 26-jarige student Heijting. Van der Zwan kwam van links: Rode Jeugd, PvdA. Heijting kwam uit de liberale jongerenbeweging JOVD. Jong van geest waren ze allemaal. En man. Alleen maar mannen. Ze hadden die zonnige zaterdag afgesproken omdat zij, zoals de latere voorman Hans van Mierlo in de eerste politieke reclamespot van Nederland zou zeggen, „ongerust” waren. „Over de tanende invloed van de kiezer. Over de ontoereikendheid van de verouderde politieke spelregels. Over de onbeweeglijkheid en verstarring van het partijenstelsel.”

Van der Zwan: „Het hoofdbezwaar van de generatie die toen politiek bewust werd, was dat de partijen te kleingeestig waren en gedomineerd werden door kleingeestige leiders.”

Reinier Heijting: „Het was ook de tijd van Provo, het verzet tegen de regentenmentaliteit.”

Tegen de gevestigde orde. Als het moet zijn ze dat nog steeds. Allebei stemden zij op 6 april bij het Oekraïne-referendum tegen. Van der Zwan: „Ik zie helemaal niets in de bewegingen die de EU naar Oekraïne maakt. Daar komt alleen maar onheil van. Het is ondoordacht.”

Heijting: „Ik heb ook tegen gestemd. Niet uit één of ander tokkie-gevoel maar omdat ik vind dat er in toenemende mate spanning is tussen de activiteiten van de Europese Unie en de bevoegdheden die de Europese instituties hebben.”

Hans Gruijters bracht hen in 1966 in Krasnapolsky bij elkaar. Arie van der Zwan kende Gruijters beroepsmatig. Als directeur van een bureau voor marketinganalyse sprak hij vaak met hem over de functie van kiezersonderzoek, waar de politicoloog Gruijters een proefschrift over wilde schrijven. Reinier Heijting was tot eind 1965 voorzitter geweest van de aan de VVD gelieerde liberale jongerenorganisatie JOVD. Gruijters, eind jaren vijftig actief in de JOVD, kende hij oppervlakkig van bijeenkomsten. „Eind 1965 heb ik tijdens een discussieavond gezegd dat het tijd was voor de oprichting van een radicaal-liberale partij. Ik ben er vrijwel van overtuigd dat deze uitlatingen voor hem aanleiding waren mij uit te nodigen”, zegt Heijting.

Hans van Mierlo werkte ook bij het Algemeen Handelsblad – hij redigeerde de opiniepagina. Hij was een van de andere aanwezigen. Geen opvallende, in de herinnering van Van der Zwan. „De hoofdrol was voor Gruijters. Hij leidde de discussie. Iedereen zag in hem de informele leider.”

Met welk idee kwam u de eerste keer bij elkaar?

Van der Zwan: „Het was een open invitatie. Er lag geen stuk of zo.”

Heijting: „Het was een algemene gedachtenwisseling.”

Van der Zwan: „Maar wel gericht op de oprichting van een partij.”

Heijting: „Dat durf ik niet zo positief te zeggen.”

Van der Zwan: „Nou, ik wel!”

Heijting: „Het ging er juist om of het een beweging of een partij moest worden. Dat was nog niet uitgesproken.”

Van der Zwan: „Zelf had ik ook de voorkeur voor een beweging. Ons punt was juist dat de bestaande partijen zich veel te veel lieten leiden door het machtsspel en niet door de inhoud.”

Wat was die inhoud?

Heijting: „We vonden dat het politieke systeem was vastgelopen en dat er iets moest gebeuren. Er was een verband met de onrust in de maatschappij.”

Van der Zwan: „Wat ook een rol speelde was dat er in die tijd na elkaar twee verschillend samengestelde kabinetten werden gevormd zonder verkiezingen. Eerst hadden de confessionelen een regering met de VVD. Toen kwam er een crisis over de omroep en daarna vormden ze een kabinet met de PvdA. ‘Is dit democratie?’ werd er geroepen. Het centrale punt was hoe je de kiezer meer invloed kon geven op de samenstelling van de regering.”

Het omstreden huwelijk van Beatrix en Claus was anderhalve maand eerder. Discussieerde u ook over het koningshuis?

Heijting: „Nee. Het standpunt was, geloof ik, dat we er niets mee hadden, maar het was geen issue.”

Van der Zwan: „Ze waagden zich er niet aan. Het was een reuze-issue! Als mensen zeggen dat het geen issue is, bedoelen ze: we willen niet dat het een issue wordt.”

Heijting: „Misschien. Maar ik kan me niet herinneren dat we ons druk hebben gemaakt om het koningshuis.”

Het waren overigens alleen maar mannen die op 30 april bijeenkwamen.

Van der Zwan: „Zeker. En niemand stond daar ook bij stil. Politiek is voor mannen, was de gedachte, en dat was ook zo.

Wel een thema was waar de vernieuwers zich mee bezig moesten houden. Ging het puur over het functioneren van de democratie of ook over economische verhoudingen, inkomensverdeling en de omvang van de collectieve sector?

Van der Zwan: „Er ontstond discussie in hoeverre de verdelingsproblematiek nog actueel was.”

Heijting: „Nou… in hoeverre het een belangrijk thema was.”

Van der Zwan: „Actueel wil zeggen dat het een belangrijk thema is. Elf van de aanwezigen zeiden dat de verdelingsproblematiek was overwonnen. Door de grote economische groei was het minder belangrijk geworden en we kenden geen armoede in Nederland. Het moest gaan om de democratie. Henk Lange en ik vonden dat de verdelingsproblematiek nooit overwonnen kon zijn en dat je dus ook niet kan zeggen dat je je daar niet mee bezig hoeft te houden. Het was zo’n fundamenteel geschilpunt dat wij de oprichting van een nieuwe partij hiermee niet wilden belasten. Dan zouden wij direct al oppositie gaan spelen in die partij. Daar voelden we niets voor. We zijn con amore uit elkaar gegaan.”

Zat er toen meer passie in de politiek ?

Van der Zwan: „Zeker! Wij hebben een bloeiperiode meegemaakt. De tijd van begin jaren zestig tot en met midden jaren zeventig is een vrij unieke geweest van politiek engagement. In de jaren vijftig deed men ook wel aan politiek maar niet met hartstocht.”

Was de JOVD een bloeiende beweging?

Heijting: „Ik was vanaf mijn 20ste tot mijn 26ste dag en nacht met politiek bezig. In de JOVD. Dat was mijn vrijetijdsbesteding. Hartstikke gezellig, dolle pret.”

Van der Zwan: „Dolle pret?”

Heijting: „Ja sorry hoor, we hadden echt dolle pret. Iemand als Hans Wiegel, die mij is opgevolgd als JOVD-voorzitter, was bepaald niet afkerig van een geintje.”

Van der Zwan: „Lol hebben is het punt niet, maar is er meer dan lol hebben?”

Heijting: „Maar we waren ook wel met politiek bezig! Op JOVD-congressen werden heel serieuze resoluties over ontwikkelingshulp aangenomen. Maar je kan niet zeggen dat we zwaartillend waren.”

Van der Zwan: „Dat is nu politiek beoefening in Nederland: niet zwaartillend.”

U bent altijd lid gebleven van de PvdA?

Van der Zwan: „Uhh, ja ja.”

Met aarzelingen?

Van der Zwan: „Dat kan je wel zeggen. Het is toch een loyaliteitskwestie. Hoe ouder je wordt, hoe meer je je afvraagt: moet ik weg als ik zo lang bij een partij betrokken ben geweest?”

Heijting: „Het is toch het soort mensen waarbij je je prettig voelt.”

Van der Zwan. „Nee, dat is het niet. Maar alleen al de berichtgeving als je de partij verlaat, daar moet ik niets van hebben. Als ik stilletjes had kunnen vertrekken had ik het misschien nog wel overwogen. Want er zijn toch echt wel momenten geweest dat ik niet zoveel met die partij had.”

Welke momenten?

Van der Zwan: „Als je de periode Kok neemt. Dat is toch wel een dieptepunt in de hele ontwikkeling.”

Het paarse kabinet?

Van der Zwan: „Ja, en dan zeker het tweede paarse kabinet. Het eerste had nog een zekere ratio, maar in het tweede zijn idioot belangrijke beslissingen genomen over het lot van de collectieve sector.”

En heeft Heijting zich wel eens in de steek gelaten gevoeld door D66?

Heijting: „Niet zoals Arie. Ik ben met twee korte onderbrekingen altijd lid geweest van D66. Voor die ontploffingstheorieën van Van Mierlo waardoor alle oude partijen zouden verdwijnen, gaf ik niets. Daar was ik veel te nuchter voor. In het algemeen voelde ik mij meer thuis bij iemand als Jan Terlouw. Die vertegenwoordigde meer waar ik zelf voor sta. Eigenlijk had ik niets met Van Mierlo. Hij ook niet met mij, geloof ik.”

Hebt u wel iets met Pechtold?

„Die vind ik een uitstekende leider.”

Van der Zwan: „Wat ik in hem waardeer is dat hij de moed heeft gehad om op het dieptepunt van zijn partij het leiderschap op zich te nemen. Ik vind wel dat hij teert op wat hij gedaan heeft, terwijl hij eigenlijk zou moeten werken aan een nieuwe agenda. Maar dat geldt eigenlijk voor alle partijen.”

Is het nuttig geweest waar u 50 jaar geleden aan begon?

Van der Zwan: „Ja, absoluut”.

Heijting: „Ik vind van wel. Er zijn nu wel erg veel partijen, dat mogen er best wat minder zijn, maar D66 hoeft niet bij de afvallers te horen.”