Vrijheidsdrang in vette verfstreken

Twee bloeiperiodes van het Duitse expressionisme zijn te zien in Zwolle en Groningen. Wat begon met maatschappelijke betrokkenheid eindigde met zelfexpressie.

Ernst Ludwig Kirchner, Jonge meisjes op Fehmarn, 1913-1920

Dieprode luchten, lila bergen, gele zonnestralen zo breed als huizen en dan ineens – boem – gitzwart Berlijn. In de zaal landschappen in de tentoonstelling over Duits expressionisme in Zwolle hangt één detonerend doekje: een stadsgezicht van Erich Heckel uit 1911. Het is zwart en symmetrisch, het perspectief intimiderend, met in een hoekje nietige mensjes. Wat een somberheid. Dit schilderij vertelt, net als die zinderende pastorales, dat Heckel en consorten niet thuis hoorden in de stad. Ze verlangden naar de natuur. En dat deden ze dusdanig dat hun verlangens de kunstgeschiedenis zouden helpen vormen.

Het begon allemaal zes jaar eerder. Heckel studeerde nog aan de Technische Hochschule in Dresden. Daar richtte hij samen met studievrienden Fritz Bleyl, Ernst-Ludwig Kirchner en Karl Schmidt-Rotluff de schildersgroep Die Brücke op. De titel ontleenden ze aan Nietzsche. De filosoof pleitte voor bruggen naar de toekomst, en die wilden zij al schilderend slaan. God was doodverklaard, industrie en verstedelijking en wetenschap rukten op, het was tijd voor een nieuwe kunst. Ze kozen dikke kleurtoetsen à la Van Gogh (in plaats van ‘Die Brücke’ opperde Emil Nolde ‘Van Goghiana’ als naam).

Deze wilden zijn nu te zien in een groepstentoonstelling in De Fundatie, dat zelf enkele solistische parels van Pechstein en Marc in de collectie heeft. Tegelijkertijd toont het Groninger Museum de Nieuwe Wilden, de neo-expressionisten die rond 1980 in verschillende Duitse steden opnieuw kozen voor figuratieve kunst, in vette verf. Die lijkt veel op die vroege wilden.

Een ware wereld

Voor wie die kleurtoetsen van de schilders van Die Brücke verwart met het impressionisme: fout. Impressionisme ging „slechts” over het vangen van licht, en ook die andere heersende stroming, Art Nouveau, vonden ze oppervlakkige aanstellerij. Nee, Die Brücke zocht een ware wereld. Daarvoor keerden ze naar de natuur en naar hun eigen innerlijk leven, twee oprechte oerbronnen. En in dat streven zochten ze medestanders. Zodoende noemden Brücke-leden zich ‘wilden’ als handreiking naar de Franse Fauvisten, en vonden ze geestverwanten in Nolde en Der Blaue Reiter (Wassily Kandinsky, Franz Marc, August Macke). In De Fundatie passen al drie stromingen prima samen. Naast de golvende lyrische landschappen van Brücke-leden passen dierenscènes van Blaue Reiter-leden Marc en Campendonk: paarden tegen abstracte vlakken om de zichtbare en immateriële wereld te versmelten.

Dom, dom, dom, vertrokken sommigen toch naar het grootsteedse Berlijn. Het stadsleven levert in het museum het minst bevredigende zaaltje op: met houtsnedes van Kirchner, schetsjes van Franz Marc, soms abstract en soms niet, is het rommelig. In andere werken zie je meer hart. Zo schilderden ze kerkjes uit de Middeleeuwen, toen Duitsland nog een groot rijk was. Ze portretteerden naakten in landschappen die soms leken op Gauguins Zuidzee, zelfs als Kirchner enkel de koele Oostzee schilderde. Freikörperkultur, Übermensch, het Duitse rijk – het klinkt suspect. Maar al deze kunst werd in de jaren dertig entartet en verboden verklaard.

Oorlog, fijn

Die Brücke, Blaue Reiter en aanverwante stromingen – als je wil kun je al dit Duits expressionisme in één woord samenvatten: vrijheidsdrang. Die groeperingen bloeiden kort maar hevig, tot in 1914 de oorlog uitbrak die door sommige kunstenaars met gejuich werd ontvangen. Oorlog, dat beloofde een afrekening met de oude wereld te worden met dan een frisse start.

Maar oorlog is geen Cif, het maakt vuil en kapot. Marc en Macke dienden vrijwillig in het leger en sneuvelden al snel. Anderen raakten getraumatiseerd of gedesillusioneerd. De groepen vielen uiteen, veel wilden gingen alsnog op het geliefde platteland verder schilderen. Toen kwam nog een oorlog en daarna kwam het expressionisme nog verschillende keren terug. Onlangs bloeiden neo-neo-varianten als de Neue Leipziger Schule, en daartussen rond 1980 de Nieuwe Wilden. Bezoek beide exposities in Zwolle en in Groningen, , en je ziet hoe het expressionisme in de twintigste eeuw twee keer tot een uitbarsting kwam.

Hoe pakt die vergelijking uit? Schildertechnisch winnen de ‘oude’ wilden (die term zou ze pijn doen) maar de vergelijking gaat mank. Want ook bij de Nieuwe Wilden moesten heilige huisjes om en daar was technisch kunnen er een van, schoonheid een tweede. Deze beweging ontstond eind jaren zeventig in verschillende Duitse steden, onder meer uit de punk en het uitgaansleven. En zoals een punknummer in één à twee minuten af moest zijn, moest ook schilderen rap. Veel van deze schilders waren muzikanten en zetten het uitgaansleven direct om in woeste verfstrepen – óók bevrijding. De ironie is dat deze expressionisten de vrijheid niet zochten in de natuur maar juist in het destijds gevreesde tegendeel, de metropool.

En wat ze daar deden was afrekenen met de goede smaak. Een greep uit de titels: Baksteenneger, Gouden man slaat sloerie, Dood aan een gewone slurfkever (een legerhelikopter, geen kever te bekennen). KaDeWe, warenhuis Kaufhaus des Westens, heet een gigaschilderij van Luciano Castelli en stripper-schilder Salomé, van naakte mannenlijven opgehangen als varkens aan de haak. Het hangt in het Groninger Museum in de grote zaal die, net als een van de twee hoofdzalen in de Fundatie, gewijd is aan de mens. Hier geen baadsters, maar een orgie, een dansende meute, mannen onder een douche van Rainer Fetting, een beeld dat doet denken aan zowel dark rooms als gaskamers. Geen taboe werd geschuwd, ook hakenkruizen en een naakte Hitler werden in vette verf neergekwast.

Ze wilden slecht schilderen en slaagden daarin – wat ze zelf als compliment zullen opvatten. En dat is het... ten dele. Want al is het rauw, fysiek, hedonistisch, sommige werken zijn toch vooral provocaties. Maar ‘Bad Painting is here to stay’, en onder die nonchalance schuilt vaak echt talent – Martin Kippenberger was een blijver, Bernd Zimmer en Bettina Semmer blijken grandioos. En hé, is dat Van Gogh? Ja, op een prachtig schilderij van Fetting, al lijkt hij daar hard uit weg te rennen. Waarschijnlijk op de vlucht naar de Fundatie, waar zijn vrijheidsbehoefte past in een breed gedragen verlangen naar een betere wereld.

Want uiteindelijk gaapt er een kloof tussen beide exposities. Vrijheid van expressie en van meningsuiting was bij de Oude Wilden ideologisch, bedoeld om je vanuit een maatschappelijke betrokkenheid uit te spreken. Veel Nieuwe Wilden vierden een persoonlijke vrijheid en hesen zichzelf op het doek, de toeschouwer wellustig uitdagend. Dat verschil geeft deze dubbeltentoonstelling een relevante boodschap.