Verlies verwerken volgens Claudius Galenus

Wetenschapsgeschiedenis In de negentiende eeuw stond het werk van de Griekse geneesheer Galenus nog in de spreekkamer van artsen. De meeste van zijn ideeën zijn allang achterhaald, maar sommige zijn verrassend modern.

Claudius Galenus. Portret door de Franse lithograaf Pierre Roche Vigneron (1789-1872).

Elke werkdag wordt Philip van der Eijk, hoogleraar klassieke filologie en antieke wetenschapsgeschiedenis, geconfronteerd met een stelling van Karl Marx. ‘Filosofen hebben de wereld alleen maar geïnterpreteerd, het gaat erom hem te veranderen,’ staat als erfenis uit de DDR-tijd in de entreehal van het hoofdgebouw van de Humboldt Universität in hartje Berlijn. Na twee uur bedachtzaam praten over antieke geneeskunde en filosofie geeft hij Marx ineens weerwoord: „Zonder Aristoteles zou de geneeskunde van vandaag er heel anders hebben uitgezien.”

De afgelopen vijf jaar heeft Van der Eijk zich in Berlijn beziggehouden met de Griekse geneesheer Claudius Galenus (129-216) en met de vraag wat bestudering van de antieke geneeskunde betekent voor de huidige geneeskunde en maatschappij. Een prijs van 3,5 miljoen euro van de Alexander von Humboldt Stiftung had hem weggelokt uit Newcastle. Daar was de Nederlander hoogleraar Grieks en directeur van het Northern Centre for the History of Medicine.

„Antieke geneeskunde is de laatste twintig, dertig jaar een serieus onderzoeksterrein geworden,” vertelt Van der Eijk. „Daarvoor was het voornamelijk de hobby van dokters, die in hun vrije tijd de wortels van hun vak onderzochten.”

Van der Eijk zelf zag het belang van het vak toen hij begin jaren negentig een lezing bijwoonde van de Britse classicus Vivian Nutton over Galenus. „Voor mij was hij toen nog een vrij onbekende figuur, die als breedsprakig gold, zelfs als een ‘onverdraaglijke windbuil’.” Maar na de lezing begreep Van der Eijk dat opvattingen over ziekte en gezondheid een goede ingang vormen tot de mentaliteit en de cultuur van de antieke samenleving als geheel.

Galenus bleek daarvoor een uitstekende bron. Hij had zich grondig verdiept in de grote Griekse filosofen (Plato, Aristoteles, Epicurus en de Stoïcijnen) en zijn werk staat vol persoonlijke anekdotes uit het sociale en culturele leven in de Romeinse keizertijd. Bovendien was Galenus behalve praktiserend arts ook een zeer productief schrijver die tot in de negentiende eeuw als gezaghebbend gold. „Van geen enkele auteur uit de Oudheid is zoveel via handschriften in het Grieks, Latijn en het Arabisch bewaard gebleven.” Van der Eijk pakt een dik boekdeel van de verzamelde werken van Galenus. „Er zijn tweeëntwintig van dit soort dikke delen. Die stonden in de negentiende eeuw gewoon in de spreekkamer van elke zichzelf respecterende arts, en werden ook nog gebruikt.”

Verlies verwerken

Tien jaar geleden werd bij toeval een nieuw werk van Galenus ontdekt. De tekst, Over het vermijden van smart, was verborgen in een Byzantijns handschrift uit een klooster in Thessaloniki. Het is een brief aan een anonieme vriend waarin Galenus de vraag beantwoordt hoe hij twee gevallen van recent verlies heeft kunnen verwerken. Ten eerste heeft hij tijdens een epidemie veel van zijn slaven verloren. Wat nog veel erger had kunnen zijn: tijdens de grote brand van 191 in Rome zijn niet alleen zijn praktijk en bibliotheek aan de Via Sacra in vlammen opgegaan, maar ook zijn medicijnen, chirurgische instrumenten en recepten. Galenus kan het verdragen, omdat hij kijkt naar wat hij nog wél heeft. Toch vindt hij dat er grenzen zijn aan wat een mens kan verdragen: een goede vriend gemarteld zien worden of verbanning uit eigen land zijn volgens hem onverdraaglijk.”

‘Over het vermijden van smart’ is vorig jaar met commentaar in Engelse vertaling verschenen in een Galenus-reeks die Van der Eijk als hoofdredacteur voor Cambridge University Press verzorgt. „Het werk typeert hem ook als medicus, omdat hij in een van de traktaten ingaat op het psychosomatische: door een gezond lichaam verzorg je ook de ziel en kun je de prestaties ervan verbeteren, en omgekeerd. Verder zijn er sterke parallellen met moderne cognitieve gedragstherapie, in zijn adviezen over bepaalde gedragsproblemen. Bijvoorbeeld wat je moet doen als je snel kwaad wordt. Zijn moeder was het toonbeeld van hoe het niet moest: slaven die haar woede hadden opgewekt beet ze.”

Galenus klinkt opvallend modern als hij verschillende manieren suggereert om met woede om te gaan. „Een ervan is schaamte door spiegeling: door iemand te confronteren met voorbeelden van zijn beschamende gedrag. Een ander procedé is regelmatig praten met een mentor, een kritische vriend, die vertelt hoe hij problemen hanteert. Ook zelfbespiegeling door het bijhouden van een dagboek kan helpen, zegt Galenus.”

Tegenover zijn opvliegende moeder staat Galenus’ vader, architect in Pergamum (in het huidige Turkije), vertelt Van der Eijk. „Galenus raadt aan je te spiegelen aan iemand die je bewondert en noemt daarbij zijn vader als voorbeeld, want die was een toonbeeld van evenwichtigheid, integriteit en zorgvuldigheid. Galenus prijst hem ook voor zijn opvoeding.”

Net als de filosofen waren medici in die tijd verdeeld in verschillende scholen. „Je had de empirici, die vooral afgingen op hun waarnemingen, de rationalisten, voor wie theorie het belangrijkste was, en de methodisten, die in de ogen van Galenus geneeskunde reduceerden tot enkele elementaire grondbeginselen. Galenus liet zich erop voorstaan onafhankelijk van geest te zijn. Volgens hem was de beste arts tevens filosoof, die zich had bekwaamd in ethiek, logica en natuurfilosofie. Hippocrates, de grondlegger van de geneeskunde, en Plato waren voor hem de grote autoriteiten.”

Galenus, die begonnen was als arts bij gladiatorenspelen in Pergamum en later in Rome hofarts was geworden van de Romeinse keizers Marcus Aurelius en Commodus, stak zijn mening nooit onder stoelen of banken. „Hij hield van polemiek met zijn ‘incompetente’ rivalen. Competitie was kenmerkend voor de Grieks-Romeinse wereld in het algemeen. Anders dan in Mesopotamië, Egypte of het oude China was er geen hof of tempel die alles, inclusief de geneeskunde, van goed- of afkeuring voorzag. En dus was er ook in de geneeskunde diversiteit, met veel discussie, concurrentie en elkaar zwart maken.”

Galenus mocht ook graag laten zien dat hij als geen ander de anatomie beheerste. Meer dan eens voerde hij voor publiek vivisectie uit op een dier. Zo sneed hij bij een levend varken de zenuwen van het strottehoofd door om te laten zien waar het vermogen tot schreeuwen zat.

Speculatieve opvattingen

Galenus’ reputatie als arts was zo groot dat zijn opvattingen pas in de zestiende eeuw voor het eerst weerlegd werden. Het was Vesalius, de hofarts van Karel de V, die toen Galenus’ beschrijving van de anatomie kon en durfde weerleggen. Van der Eijk: „Er zijn nog wel meer ideeën van hem die nu als onjuist of onzinnig worden beschouwd. Zijn idee dat het lichaam bestond uit vier elementaire kwaliteiten (warm, koud, nat en droog) was natuurlijk speculatief en niet op waarneming gebaseerd. Galenus was in dit opzicht een kind van zijn tijd; in de Griekse wereld was het normaal om zaken te schematiseren. Veel dingen werden in tegenstellingen en in tweeën of vieren verdeeld, zoals de vier temperamenten, die correspondeerden met de vier seizoenen.”

Toch zijn sommige van zijn inzichten nog relevant, zegt Van der Eijk. Daarover geeft hij colleges aan studenten geneeskunde: „Door de geschiedenis van hun vak leren studenten vooruitgangsdenken relativeren. Galenus sprak al over de grenzen van de geneeskunde en de feilbaarheid van een arts – alleen hijzelf maakte natuurlijk nooit een fout. En wat hij zegt over de unieke, individuele eigenheid van iedere patiënt, doet sterk denken aan de kritiek dat de huidige geneeskunde te gefragmenteerd en gespecialiseerd is, dat er te weinig aandacht is voor het lichaam als geheel en de patiënt als individu.”