Vechten over vetzuren

Onze voeding bevat veertig essentiële voedingsstoffen: 13 vitamines, 16 mineralen, negen aminozuren en twee essentiële vetzuren, linolzuur en linoleenzuur. Die moet je alle veertig binnen krijgen om gezond te blijven. Hoeveel van elk, daar is discussie over. Sommige niet-wetenschappers mengen zich met overgave in die discussie. Op Facebook krijg ik vooral veel posts over linolzuur en linoleenzuur; vaak is de toon verontwaardigd, zelfs woedend. Vanwaar die emoties?

Eerst wat linolzuurgeschiedenis. Linolzuur is een bestanddeel van vetten; roomboter bevat 1 procent linolzuur, varkensvet 7 procent en zonnebloemolie 62 procent. Rond 1930 werd ontdekt dat een linolzuurloze voeding leidde tot een huidziekte die door een paar gram linolzuur per dag genezen werd. Vandaar de term ‘essentieel vetzuur’. We spoelen 25 jaar vooruit, naar 1955: president Eisenhower krijgt een hartaanval. In Westerse landen zijn geen vitamine-tekorten meer, maar er heerst een epidemie van hartinfarcten. Wetenschappelijk onderzoek onthulde daarvan drie hoofdoorzaken: sigaretten, hoge bloeddruk en een hoog cholesterolgehalte van het bloed. Wat kon je daartegen doen? Minder roken was uitgesloten, mannen konden zo min zonder sigaret als nu zonder auto. De bloeddruk kon verlaagd worden door een zoutloos rijstdieet maar dat hield niemand vol, en bloeddrukverlagende medicijnen waren er niet.

Aan een hoog cholesterol was wel iets te doen. Ook daar waren geen geneesmiddelen voor, maar het cholesterolniveau daalde flink wanneer verzadigde vetten uit vlees en zuivel werden vervangen door plantaardige oliën rijk aan linolzuur. Hartpatiënten moesten dus afzien van roomboter; bij de apotheek kregen ze linolzuurrijke margarine en verder moesten ze karnemelk, mager vlees en mais-, soja- of zonnebloemolie eten. Het advies voor minder verzadigd vet en meer linolzuur werd later uitgerold naar de hele bevolking. Er kwamen melk en vlees op de markt met zonnebloemolie erin. Die waren geen succes. Minder vette melk en vlees wel; volle melk werd verdrongen door halfvolle melk en varkensfokkers fokten magerder varkens. Dat leidde tot minder vet in de voeding, maar dat was geen doel op zich.

We spoelen weer 25 jaar door, naar 1980. De epidemie van hartinfarcten was aan het luwen. Dat kwam door de vooruitgang in de cardiologie, doordat mannen toch zonder sigaret bleken te kunnen en doordat die linolzuur het cholesterol had verlaagd. De nieuwe uitdaging was kanker, en de verdenking viel op vet inclusief linolzuur; dat zou borst- en darmkanker veroorzaken. De bewijzen waren dunnetjes maar in afwachting van de onderbouwing werden de officiële voedingsadviezen alvast aangepast richting minder vet en meer koolhydraten.

Waarom die haast? Deels kwam het doordat kanker werd gezien als een welvaartsziekte. Arme mensen in Azië en Afrika kregen minder kanker en hartinfarcten en dat werd toegeschreven aan de rijst, cassave en maïs waarmee ze zich voedden. Ook werd de opkomende vetzucht zonder veel bewijs toegeschreven aan vetrijke levensmiddelen. Misschien was het gewoon een generatiekwestie: babyboomers contra linolzuur-establishment.

Anno nu is de nadruk op koolhydraten verdwenen uit de officiële richtlijnen en is de linolzuur terug, maar de weerstand ertegen is al 60 jaar onverminderd. Tegenstanders zien zich als underdog in de strijd tegen machtige margarinefabrikanten die ons het plezier in natuurlijk eten misgunnen. Linolzuur en de margarines waar het in zit, worden gezien als kunstmatig – onze paleolithische voorouders aten dat niet. Ook wetenschappelijke voorvechters van het andere vetzuur, linoleenzuur, zien zich als underdog. Linoleenzuur werd veertig jaar geleden erkend als het tweede essentiële vetzuur; het heeft een zogenaamde omega-3 structuur, terwijl linolzuur een omega-6 vetzuur is. Linoleenzuur wordt gepitcht als natuurlijk: het zit in groenten, al komt het meeste uit margarine en mayonaise. Omega-3 vetzuren zoals linoleenzuur leken ooit veelbelovend tegen allerlei ziekten. Ze hebben die belofte niet waargemaakt, maar een kleine maar actieve groep wetenschappers draagt nog steeds uit dat linoleenzuur goed is en linolzuur slecht.

Last but not least is het evenwicht tussen de bedrijven weg. De strijd over linolzuur was ook een strijd tussen de zuivelsector, en de margarinebedrijven zoals Unilever en Procter & Gamble. Voor de zuivel heeft het nog steeds prioriteit want het linolzuuradvies belemmert de afzet van roomboter en kaas. Maar margarine is een nicheproduct geworden. Procter & Gamble heeft het afgestoten en Unilever verdient alleen nog wat aan margarine met plantensterol. In een tijd waarin bedrijven oppermachtig zijn, krijgt de zuivel dus weinig tegenspel meer.

Op internet word ik uitgemaakt voor rotte vis als ik zeg dat linolzuur het risico op hartinfarcten verlaagt. Ik snap niet wat die mensen beweegt. Ik ben ook meer geïnteresseerd in die veertig essentiële voedingsstoffen; stofjes begrijp ik beter dan mensen.