Pas op voor de beleggingsgoeroe

Beleggingsfondsen zijn een populair alternatief voor sparen. Dat vereist wel een goede voorbereiding. Fondsen presteren lang niet allemaal zo goed als ze beloven.

Illustratie xf&m

De rente van 0,5 procent op een spaarrekening bij ABN Amro, ING of Rabobank is al bedroevend laag. En omdat de inflatie hoger ligt (0,6 procent, volgens het CBS), wordt het spaargeld er ook nog eens minder waard. Voor wie meer rendement zoekt, zijn er een heleboel mogelijkheden. Een van de meest gangbare routes is die naar het beleggingsfonds.

De laatste tijd zijn die bijzonder in trek, blijkt uit cijfers van De Nederlandsche Bank. Het bedrag dat Nederlandse huishoudens in beleggingsfondsen staken, is in twee jaar tijd met 31 procent gestegen, tot 77,2 miljard euro eind 2015. Dat is het dubbele van wat huishoudens in aandelen belegden.

Beleggen in een fonds is simpel, dat kan gewoon via de eigen bank en vaak al vanaf enkele tientjes. De keuze voor een fonds is ingewikkelder. Zes zaken om rekening mee te houden.

1 Het fonds

Er is een duizelingwekkende hoeveelheid beleggingsfondsen beschikbaar. Van het Robeco Global Stars Equities Fonds tot het NN Euro Obligatie Fonds en het ASN Duurzaam Aandelenfonds. Alleen al in Nederland zijn er meer dan 3.000 verschillende fondsen, zegt analist Jeffrey Schumacher van onderzoeksbureau Morningstar dat bekendstaat om het doorlichten van beleggingsfondsen. „En allemaal zeggen ze dat ze het beste fonds zijn.”

Om in dat oerwoud de juiste weg te vinden is het belangrijk dat de belegger zelf, of met de hulp van een adviseur, bedenkt waar hij geld in wil stoppen. Een risicovol fonds dat belegt in aandelen van bedrijven in opkomende markten? Een veilig fonds dat in westerse staatsobligaties belegt? Vier verschillende type fondsen om zo het risico maximaal te spreiden?

2 Het rendement

Het cliché is waar: in het verleden behaalde resultaten bieden geen enkele garantie voor de toekomst. Dat een fonds afgelopen jaar goed heeft gepresteerd, wil niet zeggen dat het dat komend jaar ook doet. Daarom is het belangrijk om op zoek te gaan naar een fonds dat het in de toekomst ook goed doet.

Wat goed is? Fondsen die het beter dan de ‘markt’ doen. Bij beleggingsfondsen heet dat de ‘benchmark’ en die benchmark is afhankelijk van het type beleggingsfonds. Een fonds dat belegt in aandelen van grote Amerikaanse bedrijven, heeft als benchmark de S&P 500, de beursindex van de grootste Amerikaanse bedrijven.

De pretentie van vrijwel alle fondsen is dat hun beleggingsgoeroes, ofwel fondsenmanagers, zo goed zijn in het uitkiezen van aandelen en zo veel verstand hebben van beleggen, dat ze het beter doen dan de markt. Maar uit onderzoeken van onder andere S&P Dow Jones blijkt dat grofweg 80 procent van de beleggingsfondsen over een aantal jaar bekeken juist slechter presteert dan de markt.

In zulke gevallen is een belegger beter én goedkoper uit met de aanschaf van een ander beleggingsproduct, een simpele ‘tracker’ (ook wel ETF genoemd) waarmee hij precies de S&P 500 of de AEX volgt. Geld steken in beleggingsfondsen is dus alleen echt zinvol bij die 20 procent die het wél beter doet dan de markt.

3 De poppetjes

Een belangrijke rol daarbij speelt het fondsmanagement. Het succes van een beleggingsfonds valt of staat met door wie het bestierd wordt; de fondsenmanager en zijn team. Dat is althans de overtuiging van Morningstar, een deel van hun analyses richt zich op wie er aan de knoppen zit. Daarom is het volgens analist Schumacher cruciaal dat beleggers ook nadat ze eenmaal in een fonds hebben belegd, bijhouden welke veranderingen er optreden en of bijvoorbeeld een manager is vertrokken.

Ver voor de crisis waarin de Nederlandse verzekeraar Delta Lloyd belandde, schrapte Morningstar al de positieve beoordelingen van Delta Lloyd-fondsen. Dat was nadat in 2014 het goed aanschreven hoofd beleggingen Alex Otto naar de beleggingsmaatschappij van de familie Blokker vertrok en Morningstar na een aantal gesprekken niet onder de indruk was van het nieuwe team.

„Wij kijken naar een aantal zaken, zoals de ervaring van de managers”, zegt Schumacher. „Daarbij gaat het er ook om of die ervaring relevant is. Iemand die jarenlang succesvol in Europese aandelen heeft belegd, is niet automatisch ook goed in Chinese aandelen.” Ook kijkt hij bijvoorbeeld of een manager zelf geld investeert in het fonds. Uit onderzoek blijkt namelijk dat die fondsen beter renderen.

Groot probleem op dit vlak: beleggingsfondsen zijn niet erg scheutig met informatie. Begin dit jaar publiceerde Morningstar in samenwerking met beleggersvereniging VEB nog een onderzoek waaruit blijkt dat het erg slecht gesteld is met de openheid van fondsen over hun managers. Van de negentien onderzochte fondsenhuizen scoren er maar drie ‘goed’. Twaalf scoren ‘slecht’ of ‘zeer slecht’, waaronder de fondsen van duurzame banken Triodos en ASN en die van reuzen als Aegon en NN.

4 De kosten

Het is vaak een hele klus om te ontdekken hoeveel een fonds precies kost. Neem het Add Value fonds dat via ABN Amro aangeschaft kan worden. Het blijft niet bij de ‘lopende kosten’ van 2,12 procent van het ingelegde vermogen per jaar. Er komt nog een een performance fee bij, afhankelijk van de beleggingsprestaties. En consumenten betalen ook 0,5 procent aanschafkosten en 0,5 procent verkoopkosten als ze weer willen uitstappen. Daarvan moeten consumenten zich bij het berekenen van hun rendement bewust zijn.

Vóór het afschaffen van het provisieverbod enkele jaren geleden lagen die kosten overigens hoger, zegt Schumacher. Gemiddeld zijn de kosten voor beleggingsfondsen in wereldwijde aandelen nu 0,9 procent per jaar, vroeger was dat 1,8 procent en verdween de helft in de zak van de bank of andere partij via wie je het beleggingsfonds aanschafte.

5 De samenstelling

In samenhang met de kosten is het ook belangrijk om te kijken of de fondsenmanager wel daadwerkelijk werkt voor zijn geld. Bij een opvallend hoog aantal managers van beleggingsfondsen is de creativiteit namelijk ver te zoeken. Uit onderzoek van Morningstar over de periode 2005-2015 blijkt dat 20 procent van de beleggingsfondsen een ‘index-hugger’ is en nauwelijks afwijkt van een index zoals de AEX of S&P 500. Lekker makkelijk en geen rechtvaardiging voor de kosten. Klanten zouden veel goedkoper uit zijn bij een tracker.

6 Het beginmoment

Goed instappen is moeilijk. Uit onderzoek blijkt dat beleggers vaak op het (achteraf) verkeerde moment beginnen, bijvoorbeeld net op de piek van de markt. Om dat soort situaties te voorkomen, raadt Schumacher aan om als men eenmaal besloten heeft om in een beleggingsfonds te stappen, de aanschaf over een aantal maanden te verspreiden. „Niet alles in een keer, maar beetje bij beetje. Gespreid beleggen is altijd het verstandigste.”