Paradijsvogel boven de boomgrens

De westelijke uitloper van Lake Superior, het grootste van de Great Lakes, ingeklemd tussen Minnesota, Wisconsin en Ontario, ziet er op de kaart uit als een wijzende hand. Aan het eind van de vingertop ligt Duluth. Het landschap wijst de elementen de weg: hier moet je zijn. Op de immense vlakte van het meer heeft de noordoostenwind vrij spel, het eerste wat hij tegenkomt is Duluth, ‘s winters een van de koudste steden ter wereld. Hoogste gemiddelde in januari: minus 7,3 ºC. Laagste: minus 16,9 ºC. Bob Dylan werd er geboren.

Het weer gedraagt zich er anders dan bij ons. Wij zeggen weersvoorspelling – het blijft gissen – de Amerikanen zeggen forecast: het weer is gemaakt, waar het om gaat is koers en snelheid. Sneeuwstormen worden dagen van tevoren gesignaleerd, hun estimated time of arrival voortdurend opnieuw berekend. De media doen een countdown, langzaam rolt de son of a bitch naderbij, de bevolking zet zich schrap. Het hoogtepunt is de whiteout: alles een egaal, ondoordringbaar wit.

Minneapolis werd lang ‘de antisemitisme-hoofdstad van Amerika’ genoemd, Minnesota is een van de witste staten van het land, Native, Jewish en African Americans zijn altijd tweederangs burgers geweest. Robert Zimmerman en Roger Nelson, de latere Bob Dylan en Prince, hebben het er vast niet makkelijk gehad. Zimmerman vertrok om nooit meer terug te komen, Nelson bleef, maar verschanste zich in een fort. Later zou Paisley Park nu en dan zijn deuren openen voor het publiek, onlangs nog, een week voor zijn dood, maar toen mijn vrouw en ik begin jaren negentig in Minneapolis gingen wonen, was het nog een hermetisch mysterie. Een van de eerste dingen die ik deed was er langs rijden. Een witte, Richard Meier-achtige blokkendoos, het zou een farmalab kunnen zijn, of een confectiecentrum. Een kubistische iglo. Kaal en wit aan de buitenkant, bont en zwierig van binnen.

De Minnesotawinter kan in oktober al beginnen en pas eindigen in mei. Dagen van min 20 graden zijn legio. Minnesotans kunnen er tegen. Kantoorwerkers staan op van hun bureau en lopen zo de straat op, in een shirt zo dun dat je het merk van de sigaretten in hun borstzak kunt lezen.

Behalve over de voortijdige dood van Christopher Tracy, nachtclubentertainer te Nice, gespeeld door Prince in Under The Cherry Moon, gaat dat fameuze nummer – zo vaak geciteerd de afgelopen dagen, zo mooi gecoverd nog door D’Angelo, afgelopen maandag bij Jimmy Fallon – ook over Minnesota zelf. Soms sneeuwt het in april, zingt hij, maar ook: in april sneeuwt het soms. Wat heet soms. In Duluth: gemiddeld 20 centimeter. Het jaar dat wij er woonden was de sneeuw in het park naast ons huis pas eind mei weg. Even richt het groen zich op, en dan daalt het kwik alweer.

Het is de laatste landstreek waarmee je Prince zou associëren. Het decor waarin hij thuishoort, en dat hij in zijn hoekige iglo tot leven bracht, is kleurrijk, exotisch, wervelend en opwindend – de geur van zweet, seks en magnolia’s. Inderdaad, de Côte d'Azur of Los Angeles of Miami, waar hij later huizen zou kopen.

In Minnesota was hij een paradijsvogel boven de boomgrens, een fabeldier in een wereld zonder flair of fantasie, bewoond door dik ingepakte, bier drinkende vleeseters, die een gat boren in het ijs en er dagen naast gaan zitten met een hengel. Niet omdat ze honger hebben, maar omdat ze zich vervelen.

In een stad als Los Angeles moet je haast wel film- of rockster willen worden (daarom zijn er ook zoveel slechte), in Minnesota is het klimaat precies omgekeerd: maximaal ontmoedigend. Maar heel af en toe staat er een talent op dat zich met geen mogelijkheid laat ondersneeuwen of invriezen. Dat zich blijft aftekenen in de whiteout. En dan heb je een Dylan. Of een Prince.