Mijn vader was fout. Ik voel mededogen

Willeke Stadtman (65) schreef een boek over het gezin waarin ze opgroeide, getekend door een vader die fout was in de oorlog. „Ik moest uitzoeken waarom het zo gelopen is.”

Arts

„Ik wilde altijd al dokter worden. Als kind liep ik rond met een omgekeerde teddyluier op mijn hoofd met een rood kruis erop. Na de studie geneeskunde ben ik getrouwd, ik kreeg twee kinderen, er volgde een scheiding. Ik wilde geen alimentatie maar de handen uit de mouwen steken en ging werken als verpleeghuisarts. Al snel kreeg ik een leidinggevende functie en vervolgens heb ik 21 jaar in het management gezeten. Vijf jaar geleden ben ik met pensioen gegaan.”

Bitterheid

„In 2000 heb ik besloten een boek te schrijven over het gezin waarin ik ben opgegroeid. Ik was de oudste van vier; mijn twee broertjes zaten op de kleuterschool toen ik ging studeren en mijn zusje in de laatste klas van de basisschool. Er was altijd ruzie. Mijn vader sloeg mijn moeder. Maar het ergst was de hopeloosheid, het gebrek aan vertrouwen, de overtuiging dat de mens een mislukte diersoort was. Bitterheid en nihilisme trokken als gif door ons gezin. Ik zei vaak tegen mijn ouders: als jullie zo doorgaan loopt het met de jongens verkeerd af. Op 7 april 2000 stonden er twee agenten voor de deur om te vertellen dat mijn jongste broer zelfmoord had gepleegd. Een maand later kreeg mijn oudste broer een zwaar scooterongeluk in Egypte, waar hij bezig was een kroeg op te zetten. Hij droeg geen helm. In een maand tijd gebeurde wat ik altijd had voorspeld. Ik moest uitzoeken waarom het zo gelopen is, waarom niemand de ban heeft kunnen breken.”

Pleeggezin

„Mijn grootvader voer op de grote vaart bij de Koninklijke Marine. In de familie ging het verhaal dat hij op een dag zijn vrouw aantrof met een andere man. Hij zou het idee hebben gehad dat mijn vader een vrucht was van het vreemdgaan. Er kwam een scheiding, hij ging terug naar zee, mijn grootmoeder werd uit de ouderlijke macht ontzet. Na een paar jaar in een kindertehuis kwam mijn vader op vierjarige leeftijd terecht in een pleeggezin waar hij zich altijd een vreemde bleef voelen. Toen hij vijftien was brak de oorlog uit. In 1943 werd hem geadviseerd als bode bij de al genazificeerde politie te gaan werken om onder de Arbeitseinsatz uit te komen. Wat maakte het uit, zei hij er zelf over, dan hoorde ik ergens bij. Na de oorlog is hij vier jaar geïnterneerd geweest in een kamp. Daar heeft hij mijn moeder leren kennen, een dochter van NSB’ers.”

Verkiezingen

„Toen ik klein was overstelpte mijn vader mij met verhalen over wat hij in de oorlog had gedaan. Dat hij aan het oostfront had gevochten, bij de politie gewerkt, elke keer wat anders. Mijn moeder zei: dat verzint hij maar. In 1959 hoorde ik van mijn moeder dat hij fout was geweest. Er waren dat jaar verkiezingen, dat maakte hem extra gewelddadig. Het hoorde bij zijn straf dat hij tien jaar niet mocht stemmen. Hij kon niet verkroppen dat hij het stempel ‘fout’ had gekregen en dat nooit meer ongedaan kon maken. Hij had maar één hoop: dat er nog eens een oorlog zou uitbreken. Dan kon hij het rechtzetten. Tijdens de Cubacrisis leefde hij op. Stiekem hoopte hij op een regionale oorlog waarin hij zijn fout kon herstellen.”

Grensrechter

„Op een gegeven moment had hij in Ede een plek gevonden in de lokale samenleving: hij was grensrechter geworden bij de voetbalvereniging. In april 1967 ging de telefoon. De voorzitter van de voetbalvereniging vroeg of hij even kon langskomen. Mijn vader zei: waarschijnlijk gaat hij mij vragen voor de scheidsrechtersopleiding want het is namelijk zo dat ik buitengewoon goed vlag. Maar de voorzitter zei dat ze hadden vernomen dat hij fout was geweest en dat ze zich daar als vereniging niet mee konden associëren. Ze hadden een voorbeeldfunctie voor de jeugd. Het was beter als hij vertrok. Daarna is het met mijn vader bergafwaarts gegaan. Conflicten op zijn werk, somber, altijd nagelbijtend op de bank, denkend aan de oorlog.”

Jaarclub

„Om te overleven heb ik als kind mijn gevoel uitgeschakeld. Als iemand een treurig verhaal vertelde dacht ik: o, nu moet ik treurig kijken. Ik had een absoluut verbod om te praten over wat er bij ons thuis gebeurde. Toen ik het huis uitging wist ik niet wat het was om van het leven te genieten. Alleen op het gymnasium had ik plezier beleefd. In mijn studententijd heb ik één keer iets over thuis verteld, in de jaarclub van de katholieke studentenvereniging. Iedereen zat verbijsterd naar me te kijken. Ik besloot dat het beter was als ik erover zweeg. Pas toen ik kinderen kreeg ben ik meer in contact gekomen met mijn gevoel. Ik heb drie kinderen van twee mannen, het heeft lang geduurd voor ik in staat was tot een goede partnerkeuze. Mijn derde man is mijn grote liefde, met hem ben ik nu 21 jaar getrouwd.”

Broers

„Mijn broer Wicher was een kwetsbaar, gevoelig kind. Traag in zijn ontwikkeling, dromerig. Hij kon daarom volgens mijn vader geen kind van hem zijn. Mijn broer Wilfred beschouwde mijn vader als een verlengstuk van zichzelf. Mijn ouders vonden dat hij naar de Koninklijke Militaire Academie moest maar hij werd afgewezen. Mijn vader zei: het heeft de heren niet behaagd omdat ik fout was in de oorlog. Toen heeft Wilfred het opgegeven. Hij kreeg veel conflicten, zat met een uitkering thuis. Hij was zwaar depressief maar liet zich niet behandelen. Uiteindelijk heeft hij het leven losgelaten. Wicher is door zijn val in Egypte voorgoed beschadigd geraakt. Je zag niets aan hem maar hij had woede-uitbarstingen en kon zich niet meer concentreren. Hij heeft elk contact met ons verbroken.”

Buitenstaander

„Ik dacht al jong: Ik kan niet verantwoordelijk gehouden worden voor het verleden van mijn vader en mijn grootvader. Het was niet mijn keus, ik hoef me niet schuldig te voelen. Maar ik voel me op 4 mei toch een soort buitenstaander. Zelf zei mijn vader: wat is goed, wat is fout, als de Duitsers hadden gewonnen was ik goed geweest. Eén keer ben ik heel kwaad geworden. Ik was al arts en vijf maanden zwanger en logeerde bij mijn ouders tijdens een tweedaags congres. Er was weer iets op tv over de oorlog. Dan werd mijn vader altijd heel erg boos. Hij vond dat het werd voorgesteld alsof iedereen die fout was iets met de Jodenvervolging te maken had. Hij zat te foeteren: hoezo zes miljoen Joden, hoezo Holocaust. Hij ging de Holocaust ontkennen. Dat kon ik niet verdragen. Toen heb ik mijn vader een tijdlang niet willen zien.”

Mededogen

„Voor mijn broers was mijn vader een immorele schoft. Hij had zich misdragen in de oorlog en misdroeg zich in zijn huwelijk. Hij was dader, zij waren slachtoffer. Ik voel meer mededogen. Ik heb in mijn boek geprobeerd te laten zien hoe iemand ondanks zichzelf geen greep krijgt op zijn leven en daarmee zichzelf beschadigt en anderen ook. En om te laten zien wat er kan gebeuren als iemand zo’n label opgeplakt krijgt. Dat gaat ervan uit dat er een keus gemaakt is, terwijl het leven zijn sporen trekt. Oordeel niet te snel. Zodra je mensen in kampen tegenover elkaar zet, goed en fout, loert de ontmenselijking.”