Boeken

Meer vrouwelijke recensenten. Hoe had de Nederlandse literatuur er dan uitgezien?

Hoe zou de na-oorlogse Nederlandse literatuur eruit hebben gezien als de literaire wereld niet door mannelijke, maar door vrouwelijke recensenten was gedomineerd? In het kader van de rubriek ‘De kwestie’, een gedachte-experiment van de Lezeres des Vaderlands.

Anna Blaman in 1952 op het Boekenbal. Foto Fokke C. de Haan/ ANP

De Nederlandse literaire kritiek zou in het interbellum diepgaand gevormd zijn door de ‘vorm of vrouw’ discussie: een debat tussen uitsluitend vrouwelijke critici en schrijvers. Twistappel: wie beschikt er over de meest indrukwekkende en authentieke persoonlijkheid dan wel het zuiverste vormtechnisch vernuft? Wist u dat Carry van Bruggen ooit Ina Boudier-Bakker in de kroeg hierover op haar neus heeft getimmerd? Smullen hoor.

En toen de Nederlandse letterheren in 1949 het plan opvatten om Anna Blaman aan een publiek tribunaal te onderwerpen, zogenaamd omdat ze niet goed kon schrijven maar in werkelijkheid omdat ze lesbisch was, zouden invloedrijke vrouwelijke Nederlandse critici de ‘Heren Seksisten’ tijdig hebben kunnen terugfluiten, door ze in hun veelgelezen stukken vakkundig af te drogen en op hun dommigheid te wijzen.

Maar dat is natuurlijk allemaal speculatie. Om werkelijk te weten of de literatuur er anders had uitgezien als er meer vrouwen recensent waren geweest, moeten we eerst weten hoe de literatuur er nu, met een overschot aan mannelijke recensenten, uitziet en hoe dat zo gekomen is.

Vanzelfsprekendheid

Dat er weinig vrouwelijke recensenten zijn, is natuurlijk een ingewikkelde kwestie waar niet een eenduidige oorzaak voor is aan te wijzen. Wat in ieder geval van belang is: onbewust wordt in ons onderwijs én in onze cultuur voortdurend het idee bevestigd dat er een ‘vanzelfsprekend’ verband zou zijn tussen kwalitatief hoge kunst en mannelijkheid. Of het nu gaat om academische boeken, literatuurkritieken of de literatuur zelf: degene die in overgrote mate de pen vasthielden behoorden tot het mannelijke geslacht. De gedachte komt dan al snel op: als vrouwen goed waren, dan had hun schrijven toch ook een prominente plek gekregen? Die situatie zal niet vanzelf veranderen, als een natuurlijke evolutie, maar heeft kritisch denkwerk en bewuste actie nodig. Daarnaast ontwikkelde de literaire wereld zich natuurlijk niet in een vacuüm: wat hier gesteld wordt over de rol en het aanzien van vrouwen in dit specifieke veld geldt mutatis mutandis voor alle sociaal-economische gebieden.

Het is daarom belangrijk om na te denken welke boodschappen over vrouwen critici al in het onderwijs bewust en onbewust hebben meegekregen. Enig googlewerk leerde me dat tot op de dag van vandaag het merendeel van de invloedrijke redacteuren en critici Nederlands gestudeerd hebben (Pruis, Peters, Vullings…) Nog meer googlewerk: tot diep in de jaren negentig was er in heel Nederland niet één vrouwelijke hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde, de overige docentenstaf bestond ook bijna exclusief uit mannen. En omdat ik niet van half werk houd: publicatielijsten van ooit invloedrijke hoogleraren als Oversteegen, Sötemann en Goedegebuure laten zien dat er voor meer dan 90% over mannelijke auteurs werd gepubliceerd. Over de Grote Drie, de Vijftigers, de Zestigers, de Tachtigers. Mannenbolwerken die over mannenbolwerken schreven.

Voor vrouwen blijft in zo’n onderwijssysteem het ‘oh ja’-hokje over. Oh ja, er was ook nog Henriëtte Roland Holst. Oh ja, er was ook nog Anna Blaman.

Vrouwelijke critici werden al helemaal onbehandeld gelaten. En het inslijten van die mangerichte norm begon natuurlijk niet pas tijdens de studie: ook in het middelbaar onderwijs staan er tot op de dag van vandaag voor het VWO slechts ca. 10% vrouwelijke auteurs op de leeslijst.

Zo’n scholing is van grote invloed op latere keuzes van de critici, programmeurs en uitgevers die het beroepsveld in rollen. Het stereotype beeld van de grote kunstenaar is een man, of het nu om een schrijver of beeldend kunstenaar gaat. De telling van het Amerikaanse VIDA laat zien dat het in de Engelstalige wereld niet heel veel beter gesteld is: ook uit het buitenland komt dus geen correctie op het beeld.

In zo’n systeem worden vragen naar de gevolgen van scheve machtsverhoudingen slechts moeizaam gesteld. Dan doel ik op vragen als: ‘Wie mág bepalen wat kwaliteit is? Wie krijgt erkenning voor zijn analytische talent en bij wie wordt het niet opgemerkt of als een bedreiging gezien? Wat gebeurt er als er nauwelijks positieve rolmodellen zijn waarop je je kan richten bij het ontwikkelen van een toekomstbeeld als criticus?’

Voor een wereld met meer vrouwelijke recensenten was het kortom nodig geweest dat in het middelbaar en universitair onderwijs er al veel eerder bressen waren geslagen in het mannenbolwerk: meer vrouwelijke hoogleraren, een radicaal openbreken van de canon. Daarvoor waren al veel eerder in onze geschiedenis school- en universiteitsbesturen nodig geweest die daar werk van hadden willen maken. In die alternatieve geschiedenis hadden ook andere instituties met een educatieve taak werk van diversiteit willen maken. Dan had het Letterkundig Museum al decennia geleden een roemruchte tentoonstelling gehad over De Grote Drie, te weten: Haasse, Blaman en Roemer. Vol smakelijke anekdotes en critici die tot op de dag van vandaag iedere week aan ze zouden refereren. Over deze drie auteurs zou dan een indrukwekkende onderzoekstraditie bestaan, in plaats van de vergeleken bij iemand als Hermans toch wat schrale hoeveelheid artikelen die je nu over ze kan vinden.

Een klimaat waarin Kwaliteit van Mannelijkheid ontkoppeld zouden zijn, zou niet alleen de receptie van vrouwelijke auteurs verbeterd hebben, maar ook hun productie. Als het grote auteurschap een positie was geweest die ook vrouwen konden innemen, zouden meer vrouwen de pen opgepakt kunnen hebben, in plaats van hun plek achter het fornuis te moeten innemen.

Zou de Nederlandse literatuur er nu anders uitzien wanneer er meer recensenten vrouw zijn, en zo ja: hoe?

In een wereld zoals ik die hierboven heb beschreven zouden er recensenten (v/m) zijn gekweekt die zonder allerlei onbewuste vooroordelen vrouwen wérkelijk associëren met de hoogste kwaliteit, en niet alleen bij wijze van uitzondering. Zo is de geschiedenis duidelijk niet gegaan, en omdat het systeem nog maar voorzichtig en mondjesmaat aan het veranderen is, is deze alternatieve geschiedenis voorlopig ook nog een utopisch toekomstbeeld.

Toch is het nog niet te laat: als er nú meer vrouwelijke critici het recensielandschap binnen zouden vallen, kan het tij worden gekeerd. Vrouwen hebben tegenwoordig toegang tot hoger onderwijs, waarin - ook in traditionele opleidingen - steeds meer aandacht is voor ideologiekritische beschouwingen van gender. Wanneer die vrouwen de plek krijgen die ze verdienen opent dat een weg naar een werkelijk kritische literatuurbeschouwing, die de man-als-norm aan het wankelen zal brengen. Dat zal leiden tot een andere afspiegeling van mannen en vrouwen in de literatuur, niet alleen in de verhaalwerelden, maar ook in de echte wereld, waarin vrouwen even Grote Schrijvers en Critici kunnen zijn als mannen.