Lang leve het pseudoniem!

Waarom kiest een auteur ervoor om te schrijven onder een andere naam? Als nou meer schrijvers een pseudoniem aannemen, is de literatuur wellicht te redden van de gehypte ondergang.

Uitsneden van twee covers van Hendrik Groen-boeken: Pogingen iets van het leven te maken enZolang er leven is.

Eigenlijk heeft het pseudoniem Hendrik Groen nog behoorlijk lang standgehouden, langer dan je zou verwachten in een tijd van sociale media. Langer ook dan het geval was geweest wanneer journalisten beter hadden opgelet. Nadat Pogingen iets van het leven te maken, het eerste dagboek van de bejaarde Hendrik Groen, een succes werd schreef uitgever Henk Verweerd op 12 september 2014 al op de literaire site Tzum.info: „Hendrik Groen is een pseudoniem van Peter de Smet, bibliothecaris in Amsterdam-Noord. Oorspronkelijk zouden wij dit boek uitgeven maar daar werd plots anders over beslist.”

Geen enkele krant (deze ook niet) of nieuwsprogramma kwam op het idee om Henk Verweerd te bellen om te vragen hoe het zat. Bij toeval luistert iemand wél wanneer op een verjaardagsfeest de naam Peter de Smet valt en er wordt besloten alsnog te gaan zoeken. Google brengt je dan al snel bij het bericht van uitgever Verweerd, die begrijpelijkerwijs teleurgesteld was omdat beide dagboeken van Groen bestsellers werden, maar niet bij zijn uitgeverij.

Interessanter dan de kwestie wie Hendrik Groen écht is, is de vraag waarom we dit eigenlijk willen weten, en waarom we zo hechten aan dat ‘echt’. Wat is er gebeurd met de literatuur dat de persoon van de auteur belangrijker is dan het werk? Neem bijvoorbeeld het Boekenweekgeschenk: de eerste geschenken werden anoniem gebracht. Niemand kende Hella Haasse en dan had het nog niet uitgemaakt: Oeroeg was haar debuut. Nu komt de auteur van het geschenk eerst uitgebreid op tv om erover te praten nog voordat er een letter op papier is gezet en zien we journaalbeelden waarop een CPNB-directeur op de knieën gaat voor de Boekenweekauteur in spé.

Om het tij te keren en de literatuur te redden van een gehypte ondergang, zou het schrijverspseudoniem juist geëerd moeten worden, in plaats van ontrafeld. De Portugese schrijver en dichter Fernando Pessoa had zoveel pseudoniemen (heteroniemen noemde hij ze zelf) en persoonlijkheden dat de omvang van zijn oeuvre pas na zijn dood inzichtelijk werd. Zijn werk is er niet minder om gewaardeerd.

Stephen King wilde weten of zijn boeken verkocht werden op inhoud of op zijn naam. Hij publiceerde daarop prompt een roman onder de naam Richard Bachman. Toen bekend werd dat King dezelfde auteur was als Bachman, werden de boeken pas verkocht. Ik ken de boeken van King niet, dus of dat veelzeggend is weet ik niet, maar Arnon Grunberg won als Marek van der Jagt meteen weer een prijs, en J.K. Rowling kreeg als Robert Galbraith mooie recensies (maar pas toen haar auteurschap bekend werd ook mooie verkoopcijfers).

Willem Elsschot

Er zijn zwaarwegender redenen om een pseudoniem te kiezen. Vervolging ligt in veel landen nog steeds op de loer – maar dat is voor Nederland niet van toepassing. Vroeger was je als vrouw ook gebaat bij een pseudoniem dat een beetje keurig was. „Schrijfsters probeerden zo min mogelijk op te vallen en vooral geen aanstoot te geven. Daarvan getuigen de nederige, bescheiden pseudoniemen waarmee ze uitdrukten dat ze geenszins van plan waren de grenzen van het hun toegemeten terrein van de beschaafde, stichtelijke vrouwelijke letterkunde te overschrijden. Velen kozen voor een welluidende vrouwelijke voornaam als Ada, Augusta, Catharina, Célestine, Elise, Helena, Johanna of Julia”, schrijft Erica van Boven in haar artikel ‘De pseudoniem als schrijversstrategie’.

Een andere reden kan zijn dat je je beroep wil loskoppelen van het schrijverschap. Anna Enquist is bijvoorbeeld in de werkelijke wereld de psychoanalytica Christa Widlund. Hetzelfde gold voor Rutger Kopland, die als psychiater Rutger van den Hoofdakker zijn brood verdiende. Of Willem Elsschot: in de straat en als reclameman heette hij Alfons de Ridder. Hij wist zijn pseudoniem lang verborgen te houden; langer dan Hendrik Groen. De dochter van Elsschot, zo schrijft Vic van de Reijt in zijn Elsschot-biografie, kwam er pas op haar dertiende achter dat haar vader de schrijver van de boeken was die zij las in de tweede klas van de middelbare school. Elsschot wilde niet „in de kijker” lopen. „Het was maar beter ook dat, op enkele intimi na, niemand wist wie er achter dat pseudoniem schuilging. In de roman Lijmen had hij zijn ziel blootgelegd; voor een man van zaken gold dat als ongepast gedrag”, schrijft Van de Reijt.

Een tijdje geleden dachten veel mensen dat uitgevers alleen een boek wilden uitgeven wanneer het door een jonge, aantrekkelijke vrouw was geschreven. Er zal vast een kern van waarheid in hebben gezeten. Paul Goeken schreef onder de naam Suzanne Vermeer twee keer per jaar een thriller. Het vrouwenmerk dat aan deze zomer- en winterthrillers kleeft, is zo’n succes dat zelfs nu Paul Goeken al enkele jaren dood is er nog steeds jaarlijks twee thrillers van Suzanne Vermeer verschijnen. Daar staat tegenover dat Alex Boogers onder zijn eigen mannennaam meer succes heeft dan in 1999 toen hij debuteerde met Het boek Estee onder de vrouwennaam M.L. Lee.

De vrees vervolgd te worden, gedwarsboomd te worden in je werk, bang zijn dat mensen zullen denken dat je een onzedige schrijver bent of juist het tegendeel (boeken verkopen beter wanneer ze geschreven zijn onder een sexy vrouwennaam): het zijn allemaal negatieve redenen om een pseudoniem aan te nemen. Het wordt tijd voor een positieve benadering.

Mediatuur

Er zijn twee redenen die pleiten voor het pseudoniem. Het brengt, zoals gezegd, de gehypte ‘mediatuur’ tot stilstand én het biedt een mooie manier om iets te zeggen over de tijdgeest in toekomstige literatuurgeschiedenissen. Immers: zeg me je pseudoniem en ik zeg je in welke tijd je leeft. Het ‘verlatijnsen’ van de naam gaf de maker ervan een zeker cachet in een periode dat boeken vooral bestemd waren voor geleerde mensen. Eduard Douwes Dekker koos voor de dramatische naam Multatuli, om te laten zien dat hij het als betrokken schrijver behoorlijk zwaar had, en dat je in de problemen kon komen wanneer je zei waar het op stond, zonder vangnet van schrijverssubsidies. Lucebert koos voor ‘glanzend licht’ om te laten zien dat in zijn tijd de poëzie niet van de straat was en ook niet bedoeld was om een voetreis naar waar dan ook in dichtvorm om te zetten.

Dus wat zegt het over deze tijd dat iemand kiest voor het pseudoniem Hendrik Groen? Aan de ene kant: dat we hechten aan een zekere waarachtigheid, zelfs als het om fictie gaat. Hendrik is immers een ouderwetse naam. En de kans dat iemand met een ouderwetse naam in een bejaardenhuis zit, is groter dan dat we er een Jordi of Sharon treffen. En als het niet waargebeurd is, moet het het liefst wél zo lijken.

Aan de andere kant is de achternaam een knipoog naar diezelfde gepresenteerde werkelijkheid: als bejaarde man is Hendrik natuurlijk maar een groentje. Een geintje dat we al het waarachtige ook niet al te serieus moeten nemen. Het blijft immers wel fictie allemaal.