Krokant met een zachte vulling

De nieuwe Jaguar XF is een aanwinst, vindt Bas van Putten. Chic, modern en hij rijdt ook nog heerlijk.

De nieuwe Jaguar XF bij RAC in Rotterdam. Op de foto verkoper Jeroen Triel. foto Peter de Krom

Jaguars maken was nooit hogere wiskunde. Lang, laag en stil moesten ze zijn, met een verchroomde roofkat als totem op de motorkap – die nonchalante, ironisch excentrieke British-ness. Daar hoorde een omvang bij die niet in verhouding stond tot de naar tailormade neigende binnenruimte, een zes- of achtcilinder die zo soeverein presteerde dat hij in een permanente halfslaap kon blijven soezen. Het kon voorkomen dat de chauffeur hem bij het stoplicht even uit zijn sluimer wekte voor een afstraffing van de Mercedes naast hem. Dan mocht hij nobel grommen als het licht op groen sprong. Maar zulke zonden bleven incidenten. Zelden zie je grote Jaguars hard rijden. Ook nieuwe clubleden, de vrije creatieven in hun tweedehands XJ’s, respecteren instinctief de eerste leefregel van de gemeenschap: nice and easy.

Toen raakte het merk verstrikt in een gordiaanse knoop van sociale ontwikkelingen, mismanagement, milieuterreur en economische omstandigheden, die de genotcultuur bijna de nek omdraaiden. De oude Britse Jaguar-elite stierf in schoonheid. De zuiplappen onder de motorkap kregen het zwaar te stellen met de blauwe knoop van Gore. De feodale huisstijl met dubbele koplampen en riant verchroomde grilles werd sleets. Maar de meest bedreigende ontwikkeling was dat een zelfbewuste burgerij aan de poorten van de bovenbouw rammelde en Jaguar in crisistijd alleen kon overleven door de toegangsdrempel te verlagen. Het moest democratiseren en vernieuwen, moeilijke missie voor een bedrijf dat jarenlang niets anders had gedaan dan romantiek verkopen. Het tastte tweemaal stevig mis met een S- en een X-type, auto’s die het net niet hadden.

Intussen ging dat kwakkelende Jaguar van hand tot hand. Eerst was Ford de baas, toen werd tot grote schrik van iedereen het Indiase staalconcern Tata heer des huizes, groot geld uit de voormalige kolonie. Die vernedering bleek achteraf een zegen: Jaguar is als een feniks uit de as herrezen. Het ontwerpteam van chefdesigner Ian Callum baarde meesterwerk na meesterwerk, de kwaliteit verbeterde, de chic bleef behouden. Maar de eerste, modernistische XF, de beoogde Britse 5-serie, zat niet meteen als gegoten.

Tafellaken

Zo’n middelgrote Jaguar is ook het moeilijkst. Een kleine Jag – zie de XE – kan nog die guitige benjamin zijn, de hogere middenklasse zit bij dit merk tussen servet en tafellaken; hij is op weg omhoog, maar nog niet aangekomen. Onverkwikkelijk detail is dat de deftigheid in het bestek moet passen. Bij zo’n auto moet het kostenplaatje kloppen, maar voor je het weet ruikt zo’n XF naar besparing en naar troostprijs, naar adjunct of kandidaat-notaris. Daarenboven bleef de concurrentie van de Duitse premiumelite machtig en het uitzinnige ontwerp kon de kwalitatieve deficiënties niet verhullen. Op Nederlandse bodem ging de XF bovendien uitsluitend van de hand met de lauwe viercilinder diesel die de bijtelling binnen de perken hield maar zijn aura bezoedelde – opeens had Jaguar, oh bloody shame, de calculerende burger aan de haak. Het onderstel was een mislukt compromis tussen Duits hard en limozacht, die diesel reutelde.

De diesel van de nieuwe XF, ditmaal door Jaguar zelf ontwikkeld, gedraagt zich standsbewuster. Zolang de snelheden constant blijven, houdt de achttraps automaat het toerental onhoorbaar laag. De aluminium koets is lichter en stijver gemaakt, de slappe spieren zijn aangespannen. De viercilinder met 163 pk – ook leverbaar met 180 pk – is misschien niet de vlotste, de wagen zelf is uitgehard als een bonbon; krokant met een zachte vulling. De carrosserie is een scherp sturend, uitgebalanceerd organisme, ondanks de lengte van vier meter vijfennegentig; het interieur, modern met de aristocratische balans van vroeger, verwarmt het hart met retrostrooigoed en onnutte excentriciteiten. De na het starten opverende draaiknop voor de automaat, het tweekleurige leer in rood en zwart, de ronde klokken met een spat analoge nostalgie voeden de onderscheidingsdrang van de bestuurder.

De standaarduitrusting is royaal, de optielijst een lange opsomming van wufte overbodigheden als een verwarmd stuurwiel en een elektrisch verstelbare stuurkolom, verwennerij waarvan de Jag-man nieuwe stijl zou kunnen denken: waar hebben we het aan verdiend? Natuurlijk is dat Aufsteigerverlegenheid die hij zo snel mogelijk achter zich moet laten, en deze XF helpt hem daarbij door hem in te palmen met het mondaine dat hem van zijn schroom voor meer geneest. Zijn subtopklasser is de generale die hem klaarstoomt voor het topmodel. Maar dat kan vanaf nu gemist worden. De XF is er tenslotte ook met de drieliter zescilinders, diesel en benzine, die zowel de prijs als het rijgenot naar topklasseniveau tillen. De XJ, de grootste Jag, is daarmee obsoleet geworden.