Het vermogen te haten, dat begrijp ik niet

Als Joods kind vluchtte Dorry Aarts-Dreese in 1942 met hulp van smokkelaars naar Zwitserland. Het land dat haar redde, bleek tal van anderen de dood in te hebben gestuurd. „De passeur zei dat we de rivier moesten oversteken. Toen verdween hij.”

Dorry Dreese nu.

‘Ik ben Zwitserland heel dankbaar”, zegt Dorry Dreese (87). „Dat wil ik wel benadrukken. Wij zijn heel goed behandeld.” Dorry Dreese werd in Antwerpen geboren uit niet-religieuze, Joodse ouders. Waarvan ze zich nauwelijks bewust is, tot ‘die oorlog’ begint. Ze staat op 10 mei 1940 met haar vader op het balkon van hun huis in Antwerpen en ze kijken samen naar de kleine, brommende vliegtuigen in de lucht, ze horen het afweergeschut, en ze voelt dat haar vader bang is. Dat ook een vader bang kan zijn.

Op de radio zegt koningin Wilhelmina dat Nederland in oorlog is.

„Ik beleef een zeebeving in mijn golfloos bestaantje” schrijft Dorry Dreese in de geschreven herinneringen die ze naar deze krant stuurde en die aanleiding waren om met haar te praten. Ze schrijft over de vlucht, over het gevoel van veiligheid in Zwitserland, maar ook over wat ze later hoorde en las over de houding van de Zwitsers ten aanzien van Joodse vluchtelingen. Heel andere zaken.

In de warme zomer van 1942 vlucht ze met haar moeder naar Zwitserland. Haar vader was enkele maanden eerder al vertrokken.

„Perrons, treinen, kleine onopvallende Franse hotelletjes. Er zaten bankbiljetten in mijn kinderschoenen en ik vond het bijzonder spannend dat ik op mijn lichaam een wit flanellen zakje droeg met diamantjes.”

Haar verhaal gaat over een vlucht van 74 jaar geleden. Maar op de nazilaarzen na, zou het net zo goed vandaag kunnen zijn.

„Ergens bij Maiche nabij de Frans-Zwitserse grens kwam een mannelijke passeur opdagen. Ik had gezien hoe de lange magere man met andere groepjes vluchtelingen had staan praten en geld en juwelen van hen in zijn zakken stopte.

‘Die man is een dief!’, dacht ik, maar ik kon begrijpen dat al die opgejaagde, doodsbange Joodse Amsterdammers zelfs hun trouwringen afgaven in ruil voor het overbrengen naar het vrije paradijs Zwitserland, slechts een nacht lopen verder. De man ging onze kleine groep voor in de duisternis, toen onze tocht, dwars door bossen, in felle regen, begon.

We liepen achter elkaar, soms op smalle paden, niemand zei een woord. Af en toe zaten we even op de natte grond, aten wat uit proviand. De bange man die deel uitmaakte van ons groepje beefde, zijn zoontje viel in slaap tegen zijn moeder aan, die hem had overgenomen van de passeur die het kind af en toe gedragen had.

Ik vond hem niet meer zo gemeen.

Toen er ergens geweerschoten afgingen en in de verte honden blaften, gebood de passeur ons plat te gaan liggen. Ik dacht meer: hoe kan ik dit allemaal aan mijn vriendinnetjes vertellen zodat ze me geloven, dan dat ik angst voelde om gepakt te worden. Uiteindelijk maakte de passeur ons duidelijk dat we het grensriviertje de Doubs moesten oversteken, waarna hij verdween.”

De passeur, de mensensmokkelaar – hoe je zo iemand noemt maakt weinig uit. Ze doen hetzelfde: geld, liefst veel, aannemen of beter gezegd afnemen, van mensen in nood. Dorry Dreese herinnert zich niet dat iemand klaagde over de vermoeidheid of wilde rusten. „Ik denk dat de angst en de bezetenheid om Zwitserland te bereiken andere gevoelens weg stampten.” De vluchtelingen wisten maar al te goed wat ze achter zich lieten. Ze herinnert zich een ‘mopje’ dat in een krant stond, een cartoon: ‘Zullen we voor Moosjes verjaardag de ramen eens wassen, dan kan hij naar buiten kijken’. Ze is er nog steeds ontdaan over: „De haat! Dat is het verschrikkelijkste en onbegrijpelijkste. Dat mensen elkaar haten, om een uiterlijk, een ras, om iets waarin je geen zeggenschap hebt.”

Haar verslag van de gebeurtenissen destijds gaat zo verder:

„Nog steeds liepen we achter elkaar, de vader droeg het jongetje, mijn moeder gaf me haar ene hand en tilde met haar andere hand een kleine tas omhoog. Het water kwam ons tot de knieën, het deerde ons totaal niet want we waren toch al doorweekt van hoofd tot voeten en uitgeput.

De vrijheid lag na enkele meters water te wachten.

Zwitserland.

Ons groepje omhelsde elkaar.

Het enige wat ik kon denken was: Nu zal ik pappie weer zien.

Ik keek naar de vier neergeplofte onttakelde mensen. De lijkwitte bibberende man, de knappe vrouw met natte slierten haar en zonder make-up, het wezenloze vrouwtje zonder uitdrukking, het slapende kleine ventje. Mijn nerveuze moeder, die probeerde me droog te krijgen.”

In quarantaine

Zwitsers in uniform vangen de vluchtelingen vriendelijk op. Ze geven ze voedsel en droge kleren, en brengen ze naar een grote gevangeniscel met bedden, waar ze een week moeten blijven. Vervolgens worden ze naar een voormalig sanatorium gebracht, waar ze in quarantaine gehouden worden. Vluchtelingen mogen de eerste weken geen contact met de buitenwereld hebben. Men, en meer in het bijzonder het hoofd van de vreemdelingenpolitie Heinrich Rothmund, was bang voor een Verjudung van Zwitserland, reden waarom niet lang na aankomst van dit groepje vluchtelingen de Zwitserse grens gesloten werd voor réfugiés.

„Mensen in doodsangst, die de grens hadden gehaald, werden door de Zwitserse politie rechtstreeks afgeleverd aan de Duitse politie”, schrijft Dorry Dreese, nog altijd verontwaardigd en bevreemd over wat mensen elkaar aan kunnen doen.

Ze zegt: „Ik heb een leuke familie- en kennissenkring en op een verjaardag of zo kijk ik weleens naar al die mensen en dan denk ik: ik ken er niet één die ik in staat acht mensen te gaan martelen, vermoorden, vergassen. We doorgronden de menselijke geest nooit helemaal.”

Destijds had ze geen weet van zulke dingen. Ze schrijft in haar herinneringen: „Zwitserland was het mooiste, het liefste land in de wereld en Zwitsers waren onze reddende engelen.”

Nu: „Dat was mijn gevoel toen, ja. Ze hebben óns toch gered.”

Of die angst voor ‘Verjudung’ te vergelijken is met de huidige angst voor islamisering, is moeilijk te zeggen, vindt ze.

Ze heeft voordrachten gegeven op middelbare scholen, om te vertellen over de oorlog.

„Daar zeg ik dat niemand kan bepalen in welke wieg hij terechtkomt. Daar kun je niets aan doen. Je moet elkaar verdragen. Ik hoop dat ze dat begrijpen en zich niet laten beïnvloeden.

„Hoe die Hitler stond te brullen, het is toch onbegrijpelijk dat iedereen daar achteraan liep. Die paradepas van die Duitsers! Die Hitlergroet! Ze waren toch allemaal psychopaten? En dat neemt dan tóch de wereld in. Over dit soort dingen, over hoe de mensen in elkaar zitten, daar wordt te weinig over gesproken, geschreven en gedacht, vind ik.”

Zwitserse excuses

In 1995 bood de president van de Zwitserse confederatie, Kasper Villinger, in het parlement officieel excuses aan namens zijn land aan de Joden die het slachtoffer waren geworden van wat misschien wel als latent antisemitisme bestempeld moest worden. Daarop volgde later het aanbod van herstelbetalingen. In de eerste plaats vanwege het terugsturen van Joodse vluchtelingen. Maar ook vanwege de ‘J’ in het paspoort, die in Zwitserland al in 1938 werd ingevoerd. En vanwege de werkkampen die er ook waren, voor jonge mannen.

Zouden wij later ook excuses moeten aanbieden aan de vluchtelingen van nu? De situatie van toen en van nu is wel totaal anders, vindt Dorry Dreese. „Wij werden niet geïntegreerd. De groepen vluchtelingen bleven bij elkaar. Er werden grote lege hotels voor ze ingericht, we aten gezamenlijk in grote eetzalen en ieder kreeg een werktaak. Maar het vooruitzicht was natuurlijk: terugkeer naar het eigen land na de oorlog. Na de bevrijding wilde niemand in Zwitserland blijven. Nu gaat het om miljoenen mensen die, voor een deel waarschijnlijk terecht, niet terug kunnen naar hun eigen land.”

Een rapport van Amerikaanse, Zwitserse en Israëlische historici uit 1999 geeft de volgende cijfers: tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft het neutrale Zwitserland ruim 51.000 vluchtelingen opgevangen, onder hen zo’n 21.000 Joden die voor hun opvang moesten betalen. Er zijn 24.000 gevallen geregistreerd van Joden wie de toegang werd geweigerd.

Kostbare horloges

Dorry Dreese schrijft over de heerlijke droom die Genève voor haar als kind was: „Mijn vader wees naar de kostbare horloges in de mooie etalages. Ze droegen wereldberoemde namen, maar tikten dezelfde tijd voor ons als voor de mensen die, ver weg, heel ver weg van deze stijlvolle, neutrale stad, minutenlang naar adem snakten.”

Dat wist ze toen niet. De klap kwam pas toen ze terugkwam, de verdwenen familieleden, de Rode Kruis-berichten over de omgekomenen, en vooral toen ze de films zag die gemaakt waren bij de bevrijding van de kampen. Het besef dat tussen die gevangenen en doden ook haar oma, overgrootmoeder, neefjes en nichtjes, tantes en ooms geweest waren.

Ze zegt nu: „Ik had zo’n roze jeugd en zulke lieve ouders. Het was zo’n schok. Het was niet te bevatten. Ik moest later vier jaar behandeld worden.

„Ik heb mijn man plotseling verloren, ik heb een kleinkind verloren, het drama heeft mij echt wel weten te vinden in mijn leven, maar ik blijf toch heel graag leven. Je moet blij en dankbaar zijn dat je erdoor gekomen bent. Ik ben een boek aan het schrijven: ‘Oud zijn, vind ik heerlijk’.”

Maar die ene grote vraag blijft: waarom zij wel en anderen niet?

„Ik had toch net zo goed in die gaskamer terecht kunnen komen. We hadden gepakt kunnen worden op die vlucht. En dan ga je ook weer denken: God is goedheid, waarom wordt de ene dan gered en de andere niet?”

Ze zegt: „Ik hoorde eens iemand zeggen: ‘Er is goed, er is kwaad en er is oorlog’. Dat is wel goed geformuleerd.”