Het ‘kwikmedit’ van de kwartel is een klassieker

Kwartel foto istock

Lang geleden verscheen hier een stukje over het woord ‘kukeleku’ en de waarneming dat het gekraai van de haan over de hele wereld op dezelfde wijze wordt omschreven. Kikeriki. Cocorico. Quiquiriquí. Cucurigu. Kykapeký. De digitale snelweg en de elektronische post konden nog niet helpen en het was een heel karwei geweest om de woorden bij elkaar te zoeken. Soms moest er een ambassade aan te pas komen.

Ons ‘kukko kiekuu’ betekent letterlijk: ‘de haan roept’, zei de Finse ambassade spontaan. De verleiding was groot eruit afleiden dat ook het Franse ‘cocorico’ zoiets betekende en dat dus misschien wel over de wereld geldt dat de haan roept: ‘de haan roept’. Maar een lexicografe deed er zuinig over: je komt er niet achter of de haan naar het gekraai is genoemd of het gekraai naar de haan.

Inmiddels is dit soort onderzoek een fluitje van een cent en zou je moeiteloos het ‘kukeleku’ in het Swahili of Gujarati kunnen vinden. En er zijn schitterende nieuwe mogelijkheden ontstaan. Met hulpmiddelen als Google Books en het krantenarchief Delpher kun je nagaan wanneer woorden in gebruik raakten en hoe lang dat gebruik duurde. Voor het Nederlandse ‘kukeleku’ levert dat een verrassing op: vóór 1846 is het nergens te vinden. De Hollandse haan kraaide wel, maar meer naar Frans of Duits model: kokoriko of kikeriki, of soms heel anders zoals het koekoekeloekoe van 1758.

De kukeleku-exercitie schoot te binnen toen laatst oude tv-reportages over de MH17-ramp werden bekeken. In de eerste dagen na het ongeluk deden tv-journalisten vaak verslag vanaf de crashsite zelf, als de rebellen dat toestonden tenminste. Als kijker keek je naar de wrakstukken en de verdere vreselijkheden, maar je lette vanzelf ook op de rest van de Donbas. En je verbaasde je over de aantrekkelijkheid van dit industrieel aangetast landschap. Zachtglooiende heuvels, vriendelijke houten huizen met klassieke Oost-europese hekken, bloemrijke bermen en méér insecten dan je hier ooit nog ziet.

Met vanuit de korenvelden regelmatig, tot diep in de warme avond, het heldere, luide ‘kwikmedit, kwikmedit, kwikmedit’ van de kwartel. Onmiskenbaar, en niet te onderscheiden van de kwartelslag zoals die in Frankrijk of Spanje klinkt. Of zoals je die vijftig jaar geleden in Nederland hoorde.

Het ‘kwikmedit’ is de onder vogelaars gangbare beschrijving van een geluid dat je ook best met ‘tiktedik’ of iets dergelijks zou kunnen aangeven. Maar het voldoet zó goed dat het al eeuwen in gebruik is, Google Books gaat terug tot 1747. De landen om ons heen hadden en hebben hun eigen beschrijving: in Engeland ‘wet my lips’, in Duitsland ‘fürchte Gott’ of ‘liebe Gott’ en richting Zwitserland en Oostenrijk: ‘pick-per-wick’ of ‘bück den Rück’. De Fransen verstonden ‘paye tes dettes’, en dat al zeker in 1767.

Het is een sympathiek hoekje in de wereld van de vogelliefde, die verwoede pogingen om vogelzang in woorden te vangen. De meeste zang leent zich er absoluut niet voor, het is ondoenlijk om het geluid van heggemus, winterkoning of merel te beschrijven, maar daartegenover staan koekoek, kauw en tjiftjaf. De naam zegt het al.

Er worden voortdurend nieuwe klanknabootsingen bedacht (‘doe deur toe, opoe’, voor de houtduif en ‘ik, ik, ikweethetnietmeer’, voor de rietgors) maar er zijn ook veel klassiekers zoals het ‘kwikmedit’ en het ‘pietje, pietje, frederiek, frederiek’ van de zanglijster. De vinkenslag kreeg altijd veel aandacht. De Duitsers hoorden: ‘fritz, fritz, fritz, wilst du mit zum Wein gehn?’ en de Fransen: ‘oui, oui, oui, je suis un bon citoyen’ of ‘je suis le fils d’un rich Prieur’. Enzovoort. De Vlaming beschrijft het eind van de vinkenslag treffend met ‘suskewiet’ maar die precisering geldt niet voor heel Europa. In de Pyreneeën, bijvoorbeeld, eindigt de vinkenslag nèt anders. Er zijn vogeldialecten.

De beschrijving die Heimans en Thijsse in 1896 gaven van de – bescheiden – koolmeeszang voldoet tot op de dag van vandaag: ‘schiet in ’t vuur’ en ‘spin dikke’ (en dat steeds een paar keer herhaald.) Zo komt de amateuronderzoeker tot de vraag of de vogelzang au fond onveranderlijk is, dus of heggemussen, winterkoningen en roodborsten nog net zo zingen als toen hier de Romeinen rondscharrelden. Groot kunnen de veranderingen niet geweest zijn, dat staat wel vast, maar niemand die het precies weet. Vogelgeluiden worden pas sinds 1889 vastgelegd, zegt Wikipedia (bird vocalization) en praktisch gezien kreeg de registratie pas na 1935 betekenis.

Veel ontroerende ‘early wildlife recordings’ zijn te vinden op de site sounds.bl.uk. De buitenstaander kan in het ruwe materiaal geen wezenlijke verschillen met hedendaags gezang ontdekken maar daarmee is niet alles gezegd. Met behulp van moderne, geraffineerde registratiemethoden is aangetoond dat wel degelijk verschuivingen optreden. Dat is te zeggen: in de grote stad en langs drukke snelwegen. In 2003 ontdekten Hans Slabbekoorn en Margriet Peet van de Universiteit Leiden dat koolmezen in drukke steden systematisch hoger ‘schiet in ‘t vuur’ en dergelijke roepen dan in stille bossen ver van de drukte. Ook bij andere vogels is een verschuiving naar hogere tonen waargenomen. In stadsdrukte en verkeerslawaai overheersen de lage tonen en de vogels moeten wel naar het hogere gebied uitwijken om voor elkaar verstaanbaar te blijven, dat is de duiding. Hárder zingen helpt te weinig. Hoe hoog de koolmeeszang uiteindelijk kan worden staat nog niet vast. Dat hangt af van de autoindustrie.