Dit hangt er bij kunstenaars thuis aan de muur

Kindertekeningen naast een Warhol, beroemde werken achteloos tegen de muur. Het is een feest om in het boek Artists Living with Art rond te neuzen.

De slaapkamer van het New Yorkse penthouse van Cindy Sherman (1954). De schommelstoel met schapenvacht is een ontwerp van de Nederlandse ontwerper Maarten Baas. Foto: Oberto Gili

Leven met kunst in huis is geen vrijblijvende ervaring. Dat schrijft kunsthistoricus Robert Storr in het voorwoord van Artists Living with Art, een koffietafelboek met dertig interieurreportages van Amerikaanse kunstenaars.Goede kunst daagt uit en stelt eisen. Het is geen visuele muzak die desgewenst uitgezet kan worden. Om die reden, schrijft Storr, dulden veel kunstenaars geen kunst om zich heen. Zelfs hun eigen werk niet. In plaats van dat het een stimulans is, dwarsboomt het ontluikende ideeën.

Storr haalt een oude zenparabel aan die de Amerikaanse schilder Philip Guston vroeger graag vertelde. Bij het betreden van zijn atelier wordt een kunstenaar altijd verwelkomd door alle personen die belangrijk voor hem zijn geweest. Zijn familie, zijn geliefden, zijn vijanden, en alle collega-kunstenaars die ooit door zijn hoofd hebben gespookt. Kortom, door iedereen van wie hij ooit iets heeft geleerd, in positieve dan wel negatieve zin. Als de kunstenaar aan het werk gaat, zo wil de parabel, dan verdwijnen deze fantomen een voor een, net zolang tot hij alleen is. En op echt productieve dagen verdwijnt de kunstenaar ten slotte zelf ook, of althans zijn zelfbewustzijn. Dan resteert alleen het werk.

Een feest voor kunstminnende voyeurs

Voor de kunstenaars in Artists Living with Art is kunst aan de muur Allesbehalve een blokkade. Tot in hun slaapkamers hebben zij zich omringd met tekeningen, schilderijen en beelden, zo blijkt uit de reportages van de journalisten Stacey Goergen, Amanda Benchley en fotograaf Oberto Gili. Voor kunstminnende voyeurs is dit boek een feest. Onbekommerd kunnen zij rondneuzen in de interieurs van bekende kunstenaars als Cindy Sherman, Brice Marden en Ugo Rondinone. Die mogelijkheid leidt soms tot een beter begrip van hun werk.

Artists living with Art

In haar huis in Williamsburg in New York heeft kunstenares E.V. Day (1967) eigen werk neergezet: ‘Bondage/Bandage’, gemaakt van de stof van een wikkeljurk van het Franse modehuis Hervé Léger. Foto: Oberto Gili

Zo ontstond ook het idee voor dit boek, vertelt Stacey Goergen in haar inleiding. Acht jaar geleden bracht de toenmalige medewerkster van het Whitney Museum in New York een bezoek aan kunstenaar John Currin (1962), maker van groteske, naar het pornografische neigende schilderijen. Toen ze Currins loft in SoHo betrad, zag Goergen in zijn hal een schilderij van de Italiaanse oude meester Ludovico Carracci. Daarnaast hing een late tekening van Francis Picabia, de Franse twintigste-eeuwse schilder, bekend om de kitscherige, seksueel getinte onderwerpen waarmee hij zijn oeuvre afsloot. Die twee kunstwerken gebroederlijk naast elkaar; wat betreft techniek en thematiek vatten zij het oeuvre van Currin voor Goergen kernachtig samen.

„Hedendaagse kunst is de meest overschatte en overgewaardeerde kunst die er is – thank God. Maar oude meesters zijn beslist het krachtigst.”

Ook het New Yorkse penthouse van Chuck Close (1940), de kunstenaar die bekend werd door zijn fotorealisme en zijn grote zelfportretten, hangt vol met oude meesters. Alleen combineert hij de oude schilderijen met de strenge houten meubels van Gerrit Rietveld en Afrikaanse maskers. Close kocht zijn eerste oude meester overigens pas vijf jaar geleden. Een vriend stuurde hem catalogi van Europese veilinghuizen op. Bij het Weense Dorotheum zag Close dat er een schilderij werd aangeboden van Antonio Molinari, een zeventiende-eeuwse Italiaanse schilder die hij ooit op de kunstacademie had bestudeerd.

De Amerikaanse schilder kon nauwelijks geloven dat hij zich een werk van deze oude meester kon permitteren. Zijn eigen schilderijen kostten een miljoen of meer; de Molinari had een richtprijs van 12.000 euro. Close: „Hedendaagse kunst is de meest overschatte en overgewaardeerde kunst die er is – thank God. Maar oude meesters zijn beslist het krachtigst.”
De gang in het appartement van Close lijkt een kraamkamer voor zijn eigen werk. Op drie smalle richels staan tientallen portretten, zoveel zelfs dat de lijsten elkaar overlappen. Een foto van Man Ray over een Loretta Lux en die weer over een afdruk van Diane Arbus.

Tekst gaat verder onder de foto

Artists living with Art

Ugo Rondinone (1954), de Zwitserse kunstenaar die momenteel in Museum Boijmans Van Beuningen exposeert, woont in een voormalige New Yorkse kerk. Aan de wand hangen 26, in geel plexiglas gevatte etsen van Paul Thek. De stoelen rechtsonder in beeld zijn van Gerrit Rietveld. Foto: Oberto Gili

Het gebeurt vaker, blijkt uit Artists Living with Art, dat kunstenaars museale kunst op een niet-museale manier presenteren. Schilderijen van beroemde kunstenaars leunen achteloos tegen een muur. Tekeningen van kinderen of kleinkinderen hangen naast een Warhol. Een geschilderd portret van de overleden huisvriend Lou Reed is bij fotograaf Timothy Greenfield-Sanders met twee kaarsen veranderd tot een huisaltaar. Wat dat betreft lijken de huishoudens van deze beroemde kunstenaars net op die van gewone mensen.

Artists Living with Art doet niet mee aan de trend van hippe Europese woonbladen om het dagelijks leven op de staart te trappen. De fotograaf van het boek is niet door de achterdeur naar binnen geglipt om stiekem foto’s te maken. Op tafel staan steeds prachtige boeketten, de vloeren zijn geboend, de bedden opgemaakt en nergens ligt een losse krant of een opengeslagen boek naast een leunstoel. Zijn kunstenaars echt zulke opgeruimde mensen? De vraag is ook of een dergelijk boek in Nederland te maken zou zijn. De appartementen van Erwin Olaf en Inez van Lamsweerde zijn gepubliceerd. Maar zouden Marlene Dumas, Anton Corbijn en andere gevierde kunstenaars willen laten zien wat voor kunst ze thuis aan de muur hebben hangen?

Maatschappelijk succes mag gezien worden

Amerikanen voelen weinig schroom om hun maatschappelijk succes te tonen. Brice en Helen Marden, twee gelauwerde, inmiddels bejaarde kunstenaars, hebben hun imposante landhuis aan de Hudson, dicht bij New York, opengesteld voor de makers van het boek. Wie zich heeft verbaasd over de pracht en praal in dit voormalige weeshuis, valt pas echt om van verbazing bij het lezen van het begeleidende vraaggesprek. Daarin wordt laconiek vermeld dat het echtpaar ook onroerend goed bezit in Pennsylvania, een townhouse in Manhattan en een vakantiehuis op een Grieks eiland.

Nog iets dat opvalt: Close en Currin zijn niet de enige kunstenaars die zich omringen met kunst uit andere tijden en andere windrichtingen. Diverse collega’s blijken zogeheten lingbi’s in huis te hebben, soms een kamer vol. Dat zijn grillige, door de natuur gevormde stenen, die vanwege hun esthetische en spirituele kwaliteiten door Chinezen al meer dan duizend jaar op sokkeltjes worden geplaatst. Klaarblijkelijk raken die onbewerkte ‘filosofenstenen’ ook een snaar bij Amerikaanse kunstenaars.