‘De oorlog houdt ons meer bezig dan ooit’

De voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei wil dat sterker wordt benoemd wat er gebeurd is in de Tweede Wereldoorlog. Taboes zijn er niet. Maar „je wilt niet iets zeggen op de Dam dat mensen kwetst”.

Gerdi Verbeet: „Grootouders zouden hun kleinkinderen duidelijk moeten maken dat je een oorlog niet passief hoeft te ondergaan. De vraag stellen: zou jij ja zeggen als iemand bij je wilde onderduiken?”

Toen Gerdi Verbeet zes jaar was, kreeg haar vader een herseninfarct. Hij lag maanden in het ziekenhuis. Eenmaal thuis kon hij de deur niet uit, want traplopen ging niet meer. Haar moeder, een fulltime lerares, maakte zich zorgen. De stemming thuis was gedrukt.

En toen, vertelt de voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei, was daar die moeder van een leerling van haar moeder. ‘Tante Johanna’ begreep de ernst van de situatie. Ze vond een benedenhuis tegenover haar eigen huis in Amsterdam-Slotervaart en zorgde dat het gezin daar kwam te wonen. Zo kon zij een oogje in het zeil houden.

Tante Johanna was alles wat Verbeets moeder niet was. Zij las Bouquetreeksen, geen literatuur. Zij was opgewekt en organiseerde feesten. En als zij een jurkje voor haar dochter maakte, maakte zij er ook één voor Gerdi. „Tante Johanna was de zon uit mijn jeugd”, zegt Verbeet, die deze maand 65 werd.

Pas toen Verbeet op de middelbare school hoorde over de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog, leerde zij haar tante écht kennen. Haar ouders vertelden dat Johanna ondergedoken had gezeten en een groot deel van haar familie was kwijtgeraakt. „Dat je zó veel aan anderen kunt geven”, zegt zij, „na zó veel te hebben meegemaakt, nog maar zó kort geleden. Onvoorstelbaar.”

Tante Johanna is niet de enige die zweeg. Veel overlevenden konden hun verhaal niet kwijt, zegt Verbeet, omdat de kennis van hun omgeving over de gebeurtenissen tussen 1939 en 1945 in Europa en Nederlands-Indië tekortschoot. „Als mensen de feiten niet kennen, hebben ze geen begrip voor die verhalen. Dat is slecht voor de verwerking. Sterker nog: dat is ziekmakend.”

Het verklaart waarom Verbeet als voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei – zij werd vorig jaar juni benoemd en beleeft volgende week haar vuurdoop op de Dam – zo veel waarde hecht aan wat zij „het overbrengen van verhalen van generatie op generatie, gebaseerd op feiten” noemt. Voor Verbeet is kennisoverdracht het belangrijkste punt uit de toekomstvisie van het Comité, die voorganger Joan Leemhuis-Stout vorig jaar aan staatssecretaris van Rijn (VWS) overhandigde.

Op de vraag waarom juist zíj VVD-bestuurder Leemhuis-Stout opvolgde, zegt Verbeet: „Die vraag moet u eigenlijk niet aan mij stellen. Maar ik vermoed vanwege mijn interesse en grote betrokkenheid.”

Kort na haar aantreden als PvdA-Kamerlid, in 2001, kreeg Verbeet de portefeuille oorlogsgetroffenen. Later maakte zij als Kamerlid een reis langs concentratiekampen met het Auschwitz Comité. „Ik heb veel toespraken gehouden over de oorlog. Dus ja, het onderwerp – bij gebrek aan een beter woord – houdt mij bezig. In ken veel mensen in het wereldje. Van museumdirecteuren tot voorzitters van verenigingen van oorlogsslachtoffers. Dat is een voordeel.”

De lijntjes zijn kort.

„Nou ja, ik ken de gevoeligheden. Ik ben ervan doordrongen hoe sterk de Tweede Wereldoorlog onze samenleving bezighoudt, misschien wel meer dan ooit.”

Europa werd in ruim een jaar tijd drie keer opgeschrikt door bloedige aanslagen. Staan mensen meer stil bij hoe broos vrijheid is?

„Ja. Ik denk dat het veel meer leeft dan tien jaar geleden. Het wordt steeds drukker bij de Nationale Dodenherdenking op de Dam. Mensen hechten meer aan die twee minuten stilte. Maar je moet wel op een manier herdenken die past bij deze tijd. Daar zoekt het Comité continu naar.”

Na jaren van gekibbel over de manier waarop invulling moet worden gegeven aan de Dodenherdenking, is het nu al een tijdje stil. Hoe verklaart u dat?

„Die felle discussies waren kennelijk nodig. Er is daardoor meer duidelijkheid gekomen over wat er wel en niet op 4 mei wordt herdacht. Vaststaat dat het om de Tweede Wereldoorlog gaat en dat we op 4 mei ook stilstaan bij hoe kostbaar en fragiel vrijheid is. Nederland wérd bevrijd. Nu zetten onze soldaten zich in voor de vrede van anderen. Daarom herdenken wij ook soldaten die bij Nederlandse missies gesneuveld zijn.”

Door de discussies over Nationale Dodenherdenking legde Verbeet via de media uit waarom er geen ambassadeurs van andere landen bij de herdenking aanwezig zijn, óók geen Duitse ambassadeur. „De herdenking op de Dam is een nationale herdenking. De verzoening met Duitsland heeft al lang geleden plaatsgevonden. De relatie met ons buurland is buitengewoon goed, dat hoeft niet op 4 mei benadrukt te worden.”

Uit gesprekken met organisaties en belanghebbenden, bleek dat er behoefte is aan een meer persoonlijke plechtigheid. „We hebben dat vormgegeven door meer te vertellen over degene die de krans legt op de Dam. Dat het om een kind of kleinkind van een verzetsstrijder gaat bijvoorbeeld.”

Uw voorganger vond het belangrijk bepalende gebeurtenissen uit de oorlog te scheiden: de Holocaust, Indië, de Hongerwinter. Volgens haar kan geschiedenis nooit de optelsom van alleen individuele verhalen zijn.

„Mensen moeten weten wat er tijdens de oorlog gebeurd is. En ja, dan zal je zaken duidelijk moeten benoemen: op 10 mei zijn de Duitsers binnengevallen. Op 5 mei werd Nederland bevrijd. Op 15 augustus kwam er een einde aan de oorlog in Zuidoost-Azië. Maar ook: er zijn zes miljoen Joden, Roma en Sinti vermoord. Er zijn vreselijke dingen in Nederlands-Indië gebeurd. In de Jappenkampen zijn mensen mishandeld en vernederd, bij de aanleg van de Birma-spoorweg vonden naar schatting honderdduizend dwangarbeiders de dood. Zeker bij jongeren zijn die feiten niet altijd bekend.”

Zijn er taboes als het om herdenken gaat?

Gerdi Verbeet roert in haar koffie verkeerd en kijkt om zich heen. „Taboes? Ik zou ze niet kunnen noemen.”

Alles is bespreekbaar?

„Ja. Maar je moet er op die dag niet alles bij halen. 4 mei heeft een eigen karakter.” En toch, zegt ze na een korte pauze, is herdenken een dynamisch proces. „Het kan best zijn dat we over tien jaar weer andere elementen aan de Nationale Dodenherdenking toevoegen. Je moet dat niet uitsluiten.”

Critici vinden dat het Comité zaken onbenoemd laat. Zij begrijpen niet waarom Joden, Roma en Sinti tot vorig jaar niet genoemd mochten worden in het ‘protocol’ op de Dam.

„Ik ben niet bij die discussie geweest, dus daar ga ik geen oordeel over vellen. Wel wil ik nogmaals zeggen dat het Comité het heel belangrijk vindt dat explicieter benoemd wordt wat er met wie gebeurd is. Hoe groter de afstand tot de oorlog, hoe minder vanzelfsprekend het is dat iedereen van alles op de hoogte is. Maar de herdenking moet zó in elkaar zitten, dat die mensen op de Dam niet gehinderd worden bij hun persoonlijke beleving. Ze moeten zich realiseren waarom ze daar staan en dat we ons best moeten doen om te voorkomen dat het weer gebeurt.”

Op welke manier zouden zij gehinderd kunnen worden?

„Als Tweede Kamervoorzitter heb ik op 4 mei 2011 zelf een toespraak gehouden op de Dam. Ik heb mijn woorden toen heel zorgvuldig gewogen vanwege alle gevoeligheden. Je wilt niet iets zeggen dat mensen kwetst. Dat ze in plaats van herdenken afgeleid worden omdat ze het ergens niet mee eens zijn.”

Om mensen te raken moet je specifiek worden. Het zit ’m vaak in de details.

„Dat is zoeken, ja. Toen ik mijn tekst voor de Dam af had, stuurde ik hem naar mensen van wie ik wist dat ze een grote betrokkenheid hebben bij het onderwerp. Mensen uit de Indische gemeenschap, mensen uit Joodse kring. Nu ik voorzitter van het Comité ben houd ik opnieuw ruggenspraak. Ik vraag: doen we het goed? Want we doen het niet voor onszelf hè.”

Wat is uw grootste uitdaging?

„Te zorgen dat iedereen zich op 4 mei realiseert wat er toen is gebeurd. Dat duidelijk wordt hoeveel mensen – en hun nakomelingen – op een verschrikkelijke manier beschadigd zijn. Maar ook zorgen dat we stilstaan bij de opofferingen en de eigen verantwoordelijkheid. Wie zich organiseert is tot veel in staat. Je moet je aan de wet houden, maar er zijn ook tijden dat je in opstand moet komen tegen degenen die op dat moment de macht hebben. Het zijn allemaal dingen die de revue kunnen passeren bij een moment van nationale reflectie.”

En dan helpt het dat Nederlanders zich in deze tijd bewuster zijn van wat vrijheid betekent.

„Het is wel heel cynisch om er zo tegenaan te kijken hè? Liever had ik gehad dat daar geen reden voor was. Dat we zó veel van die oorlog geleerd hadden, dat duidelijk was: dat nooit weer.”

Kennelijk zijn er aanslagen voor nodig om mensen bewust te maken.

„Ja. Vreselijk. Maar je moet je niet uit het veld laten slaan. Blijf het leven vieren in Nederland met al zijn mogelijkheden. Ga niet anticiperen op wat er allemaal zou kunnen gebeuren. Laat je niet...”

...door angst regeren.

„Precies. Daar moeten we elkaar bij blijven helpen. Als je met kinderen over de oorlog praat, vertel dan ook dat er grote momenten van moed en kameraadschap zijn geweest. Dingen waar we trots op kunnen zijn, zoals de Februaristaking. Nederland kwam als enige land in Europa in opstand tegen de deportatie van Joden.”

In Nederland werden procentueel ook de meeste Joden afgevoerd.

Ze knikt. „En dáárom is die kennisoverdracht zo belangrijk. Ouders zouden met hun kinderen naar het Binnenhof moeten gaan, om te kijken naar dat ene plankje waar geen Handelingen, vergaderverslagen, staan, omdat de Eerste en Tweede Kamer in de oorlog niet bijeenkwamen. Grootouders zouden met hun kleinkinderen oorlogsgraven moeten bezoeken. Hun duidelijk moeten maken dat je een oorlog niet passief hoeft te ondergaan. De vraag stellen: zou jij ja zeggen als iemand bij je wilde onderduiken? Veel mensen hebben dat gedaan, maar niet genoeg.”

‘Antisemitisch gedrag is een terugkerend probleem op sommige scholen’, staat in een recent rapport van OC&W. Allochtone jongeren gaan met hun rug naar de leraar zitten als de Jodenvervolging ter sprake komt.

Verbeet zucht. „Dat is verschrikkelijk. We móeten de Jodenvervolging bespreken. Scholieren móeten het weten. En ze móeten ook weten dat het waar is.”

Hoe?

„De leerkrachten weten zelf het beste hoe dat moet. Ze kunnen terugvallen op ons of de Anne Frank Stichting. Maar er bestaat geen misverstand over dat docenten het gesprek op gang moeten brengen.”

Vindt u het verontrustend?

Lange pauze. „Nou, weet je…tuurlijk is het verontrustend. Al is er maar één scholier die het niet gelooft. Eén die zich omdraait. Maar het rare is: ik ontmoet ze nooit. Terwijl ik heel veel jongelui ontmoet. Voor je het weet word je daar te pessimistisch over. Daar is geen aanleiding voor. Er gaan groepen jongeren naar Auschwitz. Naar het Verzetsmuseum. Naar Westerbork. Scholen adopteren oorlogsmonumenten en graven. De rijen voor het Anne Frank Huis zijn heel lang.”

Wordt het probleem overdreven?

„Als ik afga op onze cijfers is er geen reden tot zorg. Dat neemt niet weg dat dit een punt van aandacht is, zeker op scholen waar kinderen de Tweede Wereldoorlog niet van huis uit hebben meegekregen.”

Speciaal voor nieuwkomers wil het Comité volgend jaar een boek maken waarin niet alleen wordt uitgelegd hoe de parlementaire democratie in elkaar steekt, maar ook dat in Nederland een oorlog heeft gewoed die nog steeds doorwerkt in onze samenleving. „Wie dat niet weet, begrijpt ook niet waarom de discussie over registratie zo gevoelig ligt. Dat dat te maken heeft met het feit dat Joden in Nederland zo gemakkelijk afgevoerd konden worden omdat het bevolkingsregister zo goed op orde was.”

Bedoelt u met ‘nieuwkomers’ vluchtelingen?

„Niet alleen. Als je zelf uit een oorlogsgebied komt, voel je die zaken waarschijnlijk goed aan. Maar ik denk ook aan kinderen van nieuwe landgenoten, die samen met hun ouders opdrachten uit zo’n boek maken. Want ook ouders behoeven informatie. En dan hoop je natuurlijk dat het gesprek thuis op gang komt.”

Herdenken doe je niet één dag per jaar.

„Nee. Eén dag per jaar betuig je respect aan de doden, maar het gesprek over oorlog én vrijheid moet doorlopend gevoerd worden.”