De man die Bond tot superster maakte

Guy Hamilton (1922 – 2016) regisseerde vier Bond-films. Zijn filmografie leest als een beknopte filmgeschiedenis van de jaren vijftig tot tachtig.

Op een dag was Orson Welles ‘m gesmeerd. Naar Rome waarschijnlijk. Of ergens anders heen. De acteur-regisseur was in ieder geval niet waar hij moest zijn: op de set in Wenen. Welles was in Europa druk bezig om geld bij elkaar te schrapen voor zijn verfilming van William Shakespeare’s Othello (1952), de film die de grootse opvolger moest worden van zijn geflopte Macbeth (1948). De regisseur die in 1941 zo overdonderend was gedebuteerd met Citizen Kane met z’n slagschaduwen en scherptedieptes die elke perspectiefwet tartten stond nu op de set van een ander, en zou de rol van zijn carrière gaan spelen, namelijk van de mysterieuze Harry Lime in film noir The Third Man. Maar hij was er dus niet. En toen nam de Britse regisseur Carol Reed een van die beslissingen die filmgeschiedenis schrijven. Hij trok zijn ietwat tengere assistent Guy Hamilton een breedgeschouderde jas aan, kleerhanger er nog in, zette hem een enorme hoed op en draaide de beroemde schaduwscènes waarin Lime door de tunnels en riolen van het in puin geschoten Wenen vlucht. Dankzij de afwezigheid van Welles en de aanwezigheid van Guy Hamilton werd de film meer Welles dan Citizen Kane.

Voor de op 16 december 1922 als zoon van een Britse diplomaat in Parijs geboren Mervyn Ian Guy Hamilton was het een beslissend moment. Hij wist al als jongetje dat hij filmmaker wilde worden, waarover hij later zou opmerken: „In mijn kringen betekende dat zoveel als zeggen dat je een bordeel wilde gaan runnen.” Als zeventienjarige vertrok hij naar de Victorine Studio’s in Nice om als manusje van alles het vak te leren. En nadat hij zijn oorlogsjaren in de marine had doorgebracht hosselde hij zich een weg naar boven in de Britse filmindustrie. Want zo ging dat toen. Filmscholen waren er nog niet. Het waren gouden jaren. Na drie assistentschappen bij Reed werd hij medewerker van John Huston op de set van The African Queen (1951), alwaar hij verantwoordelijk was voor het privétoilet van Katherine Hepburn.

Zijn leven leest als een beknopte filmgeschiedenis van de jaren vijftig tot tachtig, in Europa de overgang van een meer industriële manier van films produceren naar een auteursgerichte opvatting van film. En het is omgeven met anekdotes, waarvan hij zelf regelmatig heeft gezegd ze soms wat aan te dikken.

Hij was die man díe zowel met Sean Connery als Roger Moore zou werken. Vier James Bond-films zou hij in totaal regisseren, al was hij stom genoeg om de regie van de eerste Bond Dr. No (1962) af te slaan: „leuk scenario, maar ik heb nu even geen tijd om naar Jamaica of god mag weten wat voor oord te gaan.” Met het door de door fans als de ultieme Bondfilm beschouwde Goldfinger (1964) was het raak, daarna volgden Diamonds Are Forever (1971), Live and Let Die, (1973) en The Man With the Golden Gun (1974). Hij zou van Bond een cultureel icoon, een superster maken. Hij was de degene die verantwoordelijk was voor alle sleutelelementen van de reeks. De luxe uitstraling : „Waarom zou je de trein nemen als je ook met het vliegtuig kan”. De sexy Bond-girls: „Acteren is bijzaak.” En de schurken: „Bond is altijd zo goed als de schurk.”

Om de censor, die in die dagen nog met de schaar klaarstond in geval van seks en geweld, te misleiden vertoonde hij de keuringsversie van zijn films altijd zonder geluidseffecten. En was hij uren bezig om het goudgeverfde achterste van actrice Shirley Eaton in Goldfinger zo subtiel achter een kussen te verbergen dat hij de naaktscène ongecoupeerd in de bioscopen kreeg.

Zelf was hij misschien nog wel meer Bond dan Bond zelf: slank, elegant, onderkoeld en dol op cocktails en mooie vrouwen. Maar hij was de Connery-Bond. Roger Moore moest van hem zijn haar knippen en was veel te romantisch naar zijn smaak. Het maakte hem uiteindelijk tot zijn eigen anachronisme.

Zijn kracht als regisseur lag in de snelle actiefilms, oorlogsdrama’s en de sophisticated whodunnits: van zijn doorbraakfilm The Colditz Story (1955) tot The Battle of Britain (1969). Maar met de komst van nieuwe actiehelden en superhelden in de jaren zeventig en tachtig wist hij geen raad. Hij wees in de jaren tachtig de Batmanfilm af die uiteindelijk door Tim Burton zou worden gerealiseerd. En hij kreeg niet zoals na Dr. No de kans die inschattingsfout te herstellen. Twee Agatha Christie-films maakte hij nog, The Mirror Crack’d (1980) en Evil Under the Sun (1982), met een corpulente Peter Ustinov als Hercule Poirot, waarvan je nu met weemoed moet concluderen dat het oude Engeland toch echt voorbij was. De tijd dat een complete film als The Third Man volgens de overlevering als rookgordijn kon fungeren voor de spionageactiviteiten van schrijver Graham Greene kwam niet weerom.