Ombudsman

De kwestie-Umar: diplomatie en nationale alarmcultuur

De transfiguratie van Ebru Umar tot nationale heldin – en tot mikpunt van haat – is een van de meer verbluffende opiniewendingen in Nederland sinds de opkomst van Pim Fortuyn begin deze eeuw. En net als bij Fortuyn, en later de nationale crisis na de moord op Theo van Gogh, lijkt het net zo zeer om háár te gaan als om de zaak.

Wat is die zaak? Ja, vrijheid van meningsuiting, ook voor een omstreden columnist, tegen het neo-imperiale machtsdenken van Erdogan, de Poetin van de Turkse wereld.

Maar dat is geen exclusief diplomatieke kwestie; de zaak raakt allerlei open zenuwen in Nederland: de dubbele nationaliteit van Turkse Nederlanders, het recht om te kwetsen of te beledigen, en, onvermijdelijk, de angst voor Überfremdung door EU, islam of allebei.

Dat alles kwam samen op de voorpagina van De Telegraaf, afgelopen maandag. Onder de kop Bang voor Turken stond een openingsartikel waarin Nederland „buigt” voor „de nieuwste aanval van Turkije op Europese democratische vrijheden”. Het stuk werd begeleid met een cartoon van Erdogan als een behaarde aap op de „apenrots”, zijn gebalde vuist naast Umars omgegooide inktpot. In de krant werd de „laffe houding” van het kabinet gehekeld.

NRC Handelsblad had een dag later, ook op de voorpagina, een compleet tegenovergesteld verhaal. Haags redacteur Mark Kranenburg sprak van de „ongekend felle bewoordingen” waarin een „getergde” premier Rutte de kritiek op het kabinet had verworpen. Hij „lijkt gelijk te hebben”, concludeerde Kranenburg: terwijl diplomatie zich vaak in „wolken van mist” afspeelt, was het kabinet nu juist „opvallend openlijk” actief (Kabinet-Rutte is opvallend luidruchtig in rel met Turkije (26 april).

Kranenburg lijkt mij op zijn beurt gelijk te hebben, zakelijk gesproken. Ook in het commentaar wist de krant de juiste toon – dat gesmade woord – te vinden. Media die ‘toon’ belangrijk vinden, worden al lang reflexmatig weggehoond als wegkijkers die de harde feiten niet onder ogen willen zien. Maar het lijkt me eerder omgekeerd: schimpen op een gematigde ‘toon’ is juist een strategie om objectiviteit verdacht te maken, en het retorische zwaartepunt te verleggen van feiten naar ideologische stellingnames en partij kiezen. Zo ook hier.

Een lezeres uit Middelburg die mij schreef, verwoordde haar onvrede daarover zo: zij is „vóór het publiceren van een mening over het beleid van Erdogan, maar tégen schelden en beledigen. De serieuze en zeer terechte kritiek op het beleid van Erdogan wordt daardoor alleen maar verzwakt [...] Of Erdogan gedoe heeft met geiten, weet niemand. Kan niemand een mening of oordeel over hebben.” En is dus ook geen „mening” die je zonder enige beperking of consequentie kunt „uiten”.

Inderdaad. Opmerkelijk ook, hoe dezelfde kringen die Erdogan tot islamofascist bestempelen, op kousenvoeten sluipen als het gaat om Poetin, qua nationaal-charismatisch leiderschap toch een vergelijkbare figuur. Terwijl in Rusland, over vrijheid van meningsuiting gesproken, een journalistiek bedrijf dat wordt geleid door een Nederlander nu onder zware overheidsdruk staat. Maar ja, het bekende aan Voltaire toegeschreven adagium – óók opkomen voor meningen in niet-opportune gevallen – lijkt vaak eerder ballast dan bagage.

De zaak-Umar raakt allerlei open zenuwen in Nederland

Dat het in de kwestie-Umar intussen ook zoveel om haar stijl of persoon gaat, is dan ook weer niet zo gek.

Umar, pupil van Theo van Gogh (én NRC-auteur), is de exponent van een columnistencultuur waarin ongezouten meningen, en oordelen over wie goed of fout is, voorrang hebben boven argumentatie. Zie ook haar recente opiniestuk in deze krant over een schooljuf met hoofddoek, eerder een oproep tot protest dan tot discussie (Juf, doe die hoofddoek af, 12 april). Niet voor niets noemt ze zich een „geboren columnist”. Zoals we sinds 11/9/01, 6/5/02 of 2/11/04 allemaal herboren zijn als columnist, permanent gealarmeerd en paraat om partij te kiezen. Het F-woord in de achterzak om niet alleen het eigen gelijk, maar vooral de minderwaardigheid van de tegenstander te onderstrepen.

Was de berichtgeving over Umar zelf, vraagt een andere lezer, kritisch genoeg? Ook in Nederland is het beledigen van de koning of een bevriend staatshoofd verboden – reden waarom ‘Johnson molenaar’ ooit mocht worden gescandeerd, maar het bedoelde zelfstandig naamwoord ‘moordenaar’ niet.

Ja, maar op grond van welke uitspraken of tweets Umar nu precies is opgepakt, is nog steeds onduidelijk. In een telefonisch interview met haar, in de krant van maandag, legde Enzo van Steenbergen Umar terecht haar eerdere, smalende uitspraken voor over de aanhouding van journaliste Fréderike Geerdink in Turkije. Letterlijk zei ze toen, in het tv-programma Dit is de Dag: „Wat heb je daar te zoeken? Ga weg! [..] Het recht is daar nu eenmaal niet het recht.” Tegenover Van Steenbergen, en elders, legde ze uit dat haar geval toch anders is, omdat zij in het land verbleef als toerist, niet als journalist. Zij werd aangegeven door Turkse Nederlanders die zich, zegt ze, als „NSB’ers” gedragen.

Ook over dat aangeven, en de kritiek op Umar, heeft de krant bericht, onder meer door zes Turkse Nederlanders aan het woord te laten. Verontrustend genoeg: publicisten die worden gevolgd door critici, of ‘trollen’, die hen bij autoriteiten in het buitenland aangeven.

Die afkeer, en soms regelrechte haat, die Umar oproept onder Turkse Nederlanders – en die de krant ook in kaart heeft gebracht – is bedreigend: de inbraak in haar woning doet het ergste vermoeden over haar veiligheid.

Ook hier geldt dus: nuchter bij de zaak blijven, met een open oog voor de feiten en het publieke belang, is altijd beter dan blind op de man, of vrouw, spelen – naar beide kanten.

`Reacties: ombudsman@nrc.nl