Wilde Karin

Als volksdichteres noemt ze zichzelf ‘Rotterdamse Keet’, maar in de stad hebben we het gewoon over ‘Rode Karin’ of ‘Wilde Karin’. Jarenlang ontweek ik haar op feestjes of in de kroeg omdat (zelfs) ik een beetje schrik voor haar had, inmiddels is het een van mijn allerliefste vriendinnen.

Karin draagt nooit een broek (en ook maar zelden een onderbroek!), gaat meestal in het zwart gekleed, is altijd op hoge hakken en steekt iedere ochtend – ook op doordeweekse dagen – haar lange, slanke benen in zwarte nylonkousen (nooit panty’s!). Ze heeft roodgeverfde, halflange haren en knalrood gestifte lippen. Karin praat en lacht zo hard dat ik laatst bij het inzetten van zo’n lachsalvo een hele zwerm spreeuwen uit een boom zag opvliegen . Hoewel ze geen problematische drinker is, heeft ze in haar handtas standaard een platvinkje gevuld met rum, dat ze overal ongegeneerd aan haar lippen zet. Ze heeft – zelfs nog na de overgang – al heel wat mannenharten gebroken in de stad, maar nog altijd de ware niet gevonden, als ze daar al ooit naar op zoek is geweest.

Als ze gaat dansen, doet ze dat het liefst op een tafel of op de bar, en gaat altijd die rok omhoog, zodat op zijn minst de kanten randen van haar kousen tevoorschijn komen. Als vriendin moet je jezelf wel een beetje kunnen vermaken tijdens een avondje uit, want meestal staat ze binnen vijf minuten met anderen te kletsen of verdwijnt ze plotseling (met een man) de nacht in. „Ik ben een Rotterdamse stoeptegel die voor elke deur kan komen te liggen, dichtte ze over zichzelf. Zo rauw en grofgebekt als ze zelf is, zo zijn ook haar gedichten: weinig verhullend en ietwat te bombastisch naar mijn smaak. Ze dicht over kutten, over neuken, over liefde, maar altijd maakt ze je aan het lachen. Nu ze echt wat ouder wordt, eind vijftig alweer, worden haar avonturen wat minder wild en zelfs haar gedichten lieflijker.

Het is maar dat je het weet, maar het zou je komende zomer kunnen gebeuren dat ze op een Rotterdams terras ineens bij je tafeltje komt staan en met luide stem spontaan een van haar gedichten gaat voordragen. Met een beetje geluk is het er eentje als deze:

Paardebloempje, paardebloempje

ik zou je kunnen plukken

Helaas, zoals je ziet

buk ik liever voor een vergeet-mij-niet