Voorpublicatie: ‘De Bijbel voor ongelovigen’ - deel 5 van Guus Kuijer

‘De Bijbel voor ongelovigen’ van Guus Kuijer beslaat vier delen. Deel vijf verschijnt op 3 mei. Hier een voorpublicatie, voorgelezen door de auteur zelf.

Guus Kuijer, thuis in zijn bibliotheek. Foto Elze van Driel

In die dagen was ongeveer een kwart van de inwoners van Samaria en omstreken profeet. Een wonderlijke toestand, want die mensen deden in het geheel niets. Ze trokken in groepen door stad en land, schreeuwend, oogrollend en schuimbekkend, ieder op zijn wijze het woord van hun god sprekend. En god sprak uit elke profetenmond weer anders. Wanneer de ene godsman had vernomen dat er grote regens zouden losbarsten, wist een ander weer te melden dat de godheid juist in een grote droogte zou voorzien. En aangezien het ofwel droog blijft ofwel gaat regenen bleef er bij elke voorspelling altijd nog een aanzienlijke hoeveelheid ‘ware’ profeten over, die op kosten van de gemeenschap rondschooiden en de koning vervloekten.

Beluister hier dit leesfragment, voorgelezen door Guus Kuijer zelf

Dat laatste verwonderde me het meest. Raadgevers die de koning naar de mond praten zijn waardeloos, maar deze profeten deden weinig anders dan de koning uitmaken voor rotte vis. Een eigenaardige folklore.

Omri lachte erom. Ik denk dat hij het gevaar niet zag. Hij was voorstander van godsdienstvrijheid: heiligdommen voor Jahweh, cultusplaatsen voor de Baäls, gewijde palen voor Asjera, hij vond het allemaal best. Maar toen Achab in Samaria een Baältempel liet bouwen was de boot aan. Hij deed het ter ere van zijn bondgenoot, mijn vader, de koning van Tyrus, voor de Tyrische architecten en steenhouwers die aan de versterking van Samaria werkten en voor de Aramese winkeliers, maar vooral deed hij het voor de Kanaänieten en de eenvoudige lieden in het land die de Baäls smeekten om de vruchtbaarheid van hun grond. Hij wilde laten zien dat de koning hun goden erkende en beschermde. Beleefdheidshalve bezocht hij de Baältempel weleens, maar zelf gaf hij de voorkeur aan de koninklijke jahwistische heiligdommen in Betel en Dan. Maar ook die heiligdommen waren een doorn in het oog van de profeten omdat hun god daar in de gestalte van een gouden stierkalf werd vereerd.

De profeten waren tegen godsdienstvrijheid, zelfs als het Kanaänieten of buitenlanders betrof, en dus tegen koning Omri. En Omri zag niet dat de profeten populair waren bij de grootgrondbezitters, die kreunden onder de lasten van het hof, en bij de vorsten van de gewesten, die niet hielden van Omri’s straffe hand van regeren.

Ik zag het wel, omdat mijn vaders lessen me ziende hadden gemaakt en ik het belang van Tyrus voor ogen hield.

De profeten verwierpen me al voor ze me hadden gezien, omdat ik een buitenlandse was en andere goden aanhing. Ze kenden hun eigen geschiedenis slecht. Hun grote koningen David en Salomo huwden buitenlandse vrouwen en geen van hen hoefde haar godsdienst af te zweren.

Ze noemden mij een hoer, mij, die maar één man heeft liefgehad en gekend! Ik was lawaaiig in bed en dat bracht opschudding in Samaria: dat ik de koning liefhad, dat ik voor mijn genoegen met hem sliep, dat ik recht in zijn ogen keek en hem aanraakte waar anderen bij waren. Dat maakte me een hoer in de ogen van de rechtschapen profeten.

Foto Elze van Driel

Foto Elze van Driel

Ik heb geprobeerd tactisch te zijn. In mijn bruidsschat voerde ik geen godenbeelden mee. Als versiering voor het paleis schonk mijn vader veel ivoren snijwerk, vervaardigd in de ivoorbewerkingsfabrieken van Tyrus en Sidon, met weinig kwetsende voorstellingen. Een lambrisering met een honderdmaal herhaalde afbeelding van de Egyptische god Hah bijvoorbeeld, de god van de onbeperkte tijd, een god van niks dus, die niemand kende.

Mijn vader wilde geen gedonder in Samaria.

Het hielp niet. Toen Achab koning werd was er een bittere vijandschap ontstaan tussen mij en de godsdienstige leiders van Israël. De tijden waren veranderd. Israël wilde geen Salomo meer, die een open oog had voor de wereld en zijn tempel door Tyriërs liet bouwen. Het door Feniciërs gebouwde Samaria was hun een doorn in het oog. Ze wilden hun grenzen sluiten opdat niemand meer een kritische blik op hun waarheid kon slaan.

Er was een man aan het hof die geen profeet was, maar wel een onvoorwaardelijke vereerder van de god van Israël. Obadja was zijn naam. Hij was een uitzonderlijk verstandig man. En hoewel hij zo goed als alles wat ik deed afkeurde, mocht hij mij. Soms zag ik zelfs medelijden in zijn ogen, waarvan ik razend werd, want een dochter van Tyrus heeft niemands medelijden nodig. Toch vertrouwde ik hem, omdat hij van oprechtheid leefde.

Bovendien verjoeg hij dagelijks voor mij de honden van de binnenplaats.
Ik besloot Obadja raad te vragen over de vijandigheid van de profeten en ontbood hem toen Achab in Megiddo bij de cavalerie was. Obadja stond voor me en vermeed me aan te kijken. Ik bewonderde de trotse eenvoud van deze man, zijn strenge gezicht, zijn grove handen die een eenvoudige afkomst verrieden.

‘Vertel me, hofmaarschalk,’ zei ik, en het was alsof ik mijn vader iets vroeg, ‘hoe is het toch? Is de koning verantwoordelijk voor al zijn onderdanen of is hij slechts verantwoordelijk voor een deel van de mensen die in zijn land wonen?’

Obadja zweeg lang. Ik zag dat de vraag hem irriteerde. ‘Moet ik antwoorden op een vraag waarop de vrouwe het antwoord al vanaf haar kleutertijd kent?’ vroeg hij nors.

Ik was er inmiddels achter dat het Hebreeuws geen vrouwelijke vorm voor het woord koning kent. Ik bedacht er zelf een, maar Obadja weigerde die van me over te nemen en noemde mij dus stijfjes ‘vrouwe’.

Ik glimlachte. ‘We zijn het dus eens,’ zei ik. ‘De koning is verantwoordelijk voor allen die zijn land bewonen. Hoe kan het dan dat de profeten hem juist die verantwoordelijkheid betwisten?’

Obadja keek me fel aan. Zijn blik schokte me, omdat ik hem kende als een voorzichtig man. ‘Uw raadgevers hebben u vals voorgelicht,’ zei hij. ‘Geen van de profeten ontkent de rechten of plichten van de koning. Profeet of boer, soldaat of edelman: hij die de koning niet erkent, moet ter dood worden gebracht.’

Ik zuchtte, omdat Obadja niet begreep wat ik zeggen wilde. ‘Obadja,’ zei ik, ‘ik vraag u, kijk me in mijn gezicht, zodat u me beter begrijpt, ook al druk ik me onbeholpen uit.’

Obadja trok een ongelukkig gezicht. Ik zag aan zijn ogen dat hij me liefhad als een vader zijn dochter en dat hij om mij bezorgd was. Ik bloosde omdat ik nog jong was en mijn vader miste. ‘Er wonen Hebreeën in Israël,’ zei ik zacht, ‘maar wonen er niet ook Kanaänieten, Moabieten, Hettieten die in de verstrooiing leven, Filistijnen, Egyptenaren en Feniciërs, Arameeërs en Edomieten in Israël? Hebben zij niet hun eigen levenswijze en hun eigen goden? Verdienen ze niet de bescherming van de koning?’

Obadja’s bruine hoofd trok plotseling vol rimpels. Zijn blik was smartelijk, zijn handen haakten in elkaar. ‘Ik begrijp waarom u zo spreekt, u die opgevoed bent in Tyrus en de God van onze vaderen niet kent. Het is waar, alle volken die u noemde leven onder ons, maar alleen omdat wij onze God niet hebben gehoorzaamd, want we hadden hen met de ban moeten slaan. Nu leven ze en verleiden ze ons met hun goden, die een gruwel zijn in Gods ogen.’ Ik schoot zenuwachtig in de lach. ‘Maar hofmaarschalk, wilt u de Kanaänieten die hier sinds mensenheugenis wonen dan dood hebben? En de buitenlanders ook? Ik ben ook een buitenlandse met goden die u gruwelijk vindt.’

‘Nee, natuurlijk niet,’ riep Obadja uit. De arme man glom van het zweet. ‘Zo waar de Here leeft, iemand die u ook maar een haar krenkt is een kind des doods, want u bent de vrouw van de koning van Israël. Geen enkele vreemdeling die binnen onze poorten is zal een haar worden gekrenkt, maar dit land is het land van Jahweh en wij zijn Zijn volk, dat tot zegen zal zijn van de hele mensheid. Wij zullen geen andere goden dulden naast de God van onze vaderen. En u, Izebel van Tyrus, u hoeft niet voor Hem te offeren, noch bent u verplicht Hem te aanbidden, u hoeft u slechts aan Zijn wetten te houden en wat u in uw privévertrekken doet moet u zelf weten.’

Foto Elze van Driel

Foto Elze van Driel

Ik staarde hem lange tijd aan. Ik zag het heilige vuur in zijn ogen, zijn oprechtheid vulde het vertrek tot barstens toe, maar ik kon zijn gedachtegang niet volgen. ‘Begrijp ik u goed, Obadja, dat u het vernielen van heiligdommen, het mishandelen van Baälpriesters, het sarren van de vereerders van de Koningin van de Hemel goedkeurt?’

‘Nee!’ kreet Obadja. ‘Maar zulke dingen gebeuren wanneer de koning in gebreke blijft. De koning van Israël behoort de vreemde goden te bestrijden en zo mogelijk te vernietigen. Als hij niet met wet en daad ingrijpt, speelt hij de heethoofden in de kaart en vallen er doden.’

Ik zweeg een tijd en dacht na, want ik koesterde een gedachte die ik voorzichtig probeerde te formuleren.

‘Is het niet mogelijk,’ sprak ik ten slotte, ‘dat de god van Israël en de Koningin van de Hemel een goddelijk paar zijn, waardoor hij niet meer zo alleen is en ze bijvoorbeeld een zoon kunnen krijgen, die ook een god is en die bijvoorbeeld sterft en opstaat uit de dood, zoals Baäl doet, waardoor de gewassen weer bloeien en de mensen verlost worden van hun angst voor het graf? Zou Asjera niet de vrouw en de moeder gods kunnen zijn?’

Ik keek voldaan op, want ik had voor de vuist weg gesproken en het leek me een heel aardige theologie, maar Obadja trok bleek weg. ‘Ik smeek u, zeg zulke dingen nooit meer hardop,’ siste hij. ‘Zelfs een prinses van Tyrus kan zich niet veroorloven de God van Abraham te lasteren. Bewaar deze dingen in uw hart als uw leven u lief is.’

Ik bekeek Obadja’s gezicht, dat grauw zag van ellende. De man was geschokt en ik begreep niet waarom. Voor het eerst drong tot me door dat ik zelfs een open en eerlijk man als Obadja niet kon bereiken. Ik voelde me verlaten in een gortdroge woestijn. Ik vermande me.

‘Ik heb uw raadgevingen gehoord, Obadja,’ zei ik, ‘en ik prijs u om uw wijsheid, maar u bent hofmaarschalk en ik uw koningin. Ik zal de koning adviseren alle schenners van heiligdommen zonder uitzondering streng te straffen opdat er rust komt in Israël. Zeg uw profeten dat Izebel geen gewelddadigheden tegen de goden meer duldt en dat ik alle overtreders zal vervolgen. U kunt gaan.’

Obadja aarzelde, maar ik stond op en keerde hem mijn rug toe, want ik was bang dat hij mijn onzekerheid van mijn gezicht zou lezen. Ik had gebluft. Ik wist niet wat Achab van mijn politiek zou vinden, en persoonlijk bezat ik niet de macht om wie dan ook te vervolgen. In het geheim hoopte ik dat Obadja de fanatici tot bedaren zou brengen.