Surfen op en onder de golven

In deel 2 van haar autobiografie beschrijft Astrid Roemer, die op 19 mei de P.C. Hooftprijs ontvangt, over de jaren waarin ze zich terugtrok uit het volle leven. Het is een verslag uit een angstwekkend universum.

Tekening Paul van der Steen

Alles is altijd al bezig, je komt overal te laat en half geïnformeerd binnen. Dat accepteren is een hele zegen. Maar inzake Astrid H. Roemer is het simpelweg zinvol er wel vroeg mee in aanraking te komen. Judith Herzberg en Vasalis, Ida Gerhardt en Hans Lodeizen, zij helpen een opgroeiende denkwereld mede vormen. Zij brengen er de klassieken binnen, melancholie, homoseksualiteit en de Holocaust.

Roemer leerde ik pas kennen toen ik jaren na die eerste dichters de bundeling Schrijvende Vrouwen opensloeg. In bijvoorbeeld de krachtige dichtbundel Noordzeeblues (1985) schrijft ze over ons koloniale verleden, over het leven in twee talen en culturen. In deze prachtige regels:

trouble in mind cry me the blues sister

blus de hitte van mijn pijn

cover me spread your love all over me brother

hoofden vol vlechten en krullen

onthullen de zalvende schijn

stir it up stir it up people

laten we verstrengeld en moisty en hot

samen de laatste plebejers zijn

we are the toughest we are the toughest

Laten We Nobelnaakt Maar Nooit Bang Zijn’

Astrid H. Roemer (Paramaribo, 1947) schrijft aan een rijk, geëngageerd oeuvre barstensvol toneelteksten, essays, poëziebundels en romans. Ze nam actief deel aan het publieke debat en was politiek actief binnen Groenlinks. Volgende maand ontvangt ze de P.C. Hooftprijs voor haar verhalend proza. En nu is er dan ook het tweede deel van haar autobiografie, Liefde in tijden van gebrek. Het taaie verslag dat zij schreef over een periode waarin zij zich terugtrok uit dat volle leven. Ze vertrok van huis en haard in een zelf verkozen ballingschap. Op zoek naar stilte, naar onthechting. Het is een veelzijdig, ambigu verslag, een weeklaag van een gebroken hart, gevuld met meditaties op ouder worden en aanklachten tegen iedere vorm van autoriteit.

Edinburgh

Een ik-figuur neemt ons mee op reis naar Edinburgh, waar ze wil werken aan een nieuwe roman. Een eenzame reis die iets weg heeft van wat de ik-figuur overkomt in de roman De wand (1963) van de Oostenrijkse Marlen Haushofer. Hierin wordt een vrouw overvallen door een onverklaarbare onzichtbare glazen wand die haar van de buitenwereld gescheiden houdt. Zij overleeft alleen, een karig en hard bestaan, omringd door haar dieren, die haar enige rustpunt zijn.

Helaas voor de ik-figuur in Liefde in tijden van gebrek is er geen fictieve wand. Bij Roemer wordt ze naakt voor een werkelijkheid gesteld, of eerder voor een staat van zijn, die aanzwelt en afneemt, als een golf. En de mens is in het beste geval als een kleine figuur op die golf.

Het is boven alles een angstwekkend universum dat ze oproept. Er wordt in afgeluisterd, iemand gebruikt je bankpas, belt namens jou met de politie. Je laptop wordt er verwisseld voor een ander exemplaar en iemand verandert voortdurend je manuscripten. Rechtszaken worden aangespannen. Je geliefde wordt bestookt met leugens. Je handtekening wordt vervalst en er wordt fraude gepleegd. Er zijn aanhoudende conflicten. Steeds toont de buitenwereld zich vijandig. Alles dat macht kan uitoefenen is pervers. Over een nieuwe buurvrouw noteert ze: ‘Zij heeft voorkennis betreffende mij. Dergelijke informatie kan niet doodgevroren worden waar ik bij ben. Quantumlogica. Mijn brein communiceert woordloos met het hare op niet-talige wijze.’

De angst lijkt steeds in verbinding te staan met het verlangen naar haar geliefde, over wie zij nergens eenduidig schrijft, maar die haar moet hebben verlaten. ‘Ik voel diep ergens ook wereldvrees. Heb het idee dat een levenspartner die niet kan wegmaken. Mijn wereldvrees is de echo van de eerste kreet die ik heb geslaakt als boreling.’ En: ‘[...] wat is liefdesgeluk anders dan beangstigend verheugd zijn dat je bestaat.’

Het reizen naar Edinburgh vouwt zich uit tot een vijfjarig gesleep met huisraad en katten. Dat brengt haar in Nederland, Suriname en uiteindelijk het eiland Skye, hoog in Schotland. ‘En van de 56 dozen blijven er 8 achter in mijn flat met dingen waar ik geen afstand van kan doen. Omdat hun geschiedenis me herinnert aan iets wat ik weg had gestopt. Een ervaring te delicaat voor woorden. Te teer om te herdenken.’ En daar roep ik het, na zoveel gedetailleerde beschrijvingen van de interieurs van huurwoningen, haast uit. Niet! Niet te teer! Wat is het delicate dat steeds in zoveel gevaar moet overleven?

Het niet willen uitspreken welke wond er schreeuwt om zorg roept een weerstand op, die het boek begint te overschaduwen. Roemer ziet dit wel in, maar niet helemaal. ‘Het heeft geen zin een roman, gedicht, essay of toneelstuk terug te werpen naar de publicist uit wraak, angst, weerzin. Als een roman bij het lezen pijn doet, ransel toch niet de auteur daarvan in een boekbespreking af. Laat literatuur doen met ons wat misschien alleen woorden kunnen, raken, openbreken, verbrijzelen.’

Als ze in deel III Skye bereikt, wordt het vakantiepark waar ze een huisje huurt heel even een metafoor voor de grote volle wereld. Alsof de zon doorbreekt. Dankbaar kom je er als lezer tot rust. Mensen komen en gaan, de natuur wordt lyrisch beschreven en de schrijver observeert. Ze noteert deze overpeinzing aan de hand van een jong buurmeisje. ‘Hoe moet het met haar? Voel tranen. Wie rukt haar weg uit de draaimolen van een meergeneraties omvattend moeder-dochterconflict dat levenskansen verbrijzelt?’

Deze autobiografie lezen is als surfen op woeste zee. Je dobbert rond in dreigend water. Heel soms kun je een golf pakken. Dan scheer je kort over het uitzicht van een scherpe observatie in treffende taal. Steeds word je daarop gespoeld en stommel je lang onderin zware golven en weet je niet wat onder of boven is. Die ervaring is inderdaad redelijk verbrijzelend. Ik weet niet zeker of je de lezer zo dat water wel op mag sturen. Iets daarin grenst aan het onbarmhartige.