Column

Moederszoon

Wie een verstoorde relatie met zijn moeder heeft of had, raad ik een boek aan dat troost kan bieden: Brieven aan mijn moeder van Paul Léautaud. Wat ’n moeder, wat ’n bizarre brieven! Ook voor lezers die niets te klagen hebben over hun moeder, is het een interessant boek.

De vertaling van Mels de Jong verscheen in 2009 in de serie privé-domein van de Arbeiderspers. Toen ontging het mij, maar de uitgever bracht het onlangs weer met enkele andere delen goedkoper op de markt.

Léautaud (1872 – 1956) was geen fictieschrijver, maar een schrijver van dagboeken en brieven; over de relatie met zijn moeder schreef hij al eerder in Le petit ami. Hij was de zoon van Firmin Léautaud (souffleur) en Jeanne Forestier (actrice), die hem kort na de geboorte verliet.

Jeanne kwam hem zelden opzoeken, wat misschien de reden was dat twee langere ontmoetingen zoveel indruk op hem maakten. Toen hij negen was, had hij in een hotel een nogal incestueuze ervaring met zijn halfnaakte moeder in bed. „Ik voelde de zachtheid van haar borsten, die trilden op de maat van haar kussen tegen mijn wangen.” Pas twintig jaar later ontmoet hij haar weer bij het sterfbed van een tante, waarna ze enkele intieme dagen met elkaar doorbrengen.

Daarna komt een briefwisseling op gang. Jeanne Forestier is met een Zwitserse arts getrouwd en woont met haar gezin in Genève, Paul is een 30-jarige, in Parijs woonachtige vrijgezel. Aangemoedigd door de recente ervaringen begint hij haar hartstochtelijke brieven te schrijven. Zij is moeder en minnares voor hem geworden. „Ik denk onophoudelijk aan u. Er gaat geen moment voorbij dat ik niet denk: nu doet ze dit, nu doet ze dat. Een geheim geluk is dat, een geluk in het diepst van zijn wezen […].”

Zijn moeder gaat aanvankelijk in deze euforische gevoelens mee: „Weer andere keren droom ik dat ik bij jou ben in Parijs, waar we elkaar in alle vrijheid kunnen ontmoeten en omhelzen […].” Na enkele maanden wordt zij voorzichtiger, alsof zij vreest dat de correspondentie compromitterende gevolgen kan hebben. Zij vraagt haar brieven terug, maar Paul weigert dat beslist: „Onmogelijk, omdat ik mijzelf geen verdriet wil doen.” De moeder neemt wraak door te verklaren dat ze haar liefde geveinsd had ‘uit plichtsbesef’.

Er bestond kennelijk toch te veel oud zeer tussen hen. De zoon bleef haar in zijn brieven wantrouwige vragen over haar vroegere gedrag stellen, de moeder schoof de schuld op anderen af. Uiteindelijk beëindigt zij woedend de correspondentie, haar zoon wéér in wanhoop achterlatend.

Als lezer werd ik lang heen en weer geslingerd tussen beiden. Wie is hier redelijk, wie liegt of overdrijft? Wat dat betreft leest dit boek als een roman. Uiteindelijk is de ontknoping ontluisterend voor de moeder. Vertaler Mels de Jong vertelt in zijn naschrift over twee voor de moeder uiterst pijnlijke verklaringen na haar dood. Haar man schreef aan Paul dat zij een ‘verschrikkelijk karakter’ had: „Mijn kinderen zelf hebben veel te lijden gehad van haar karakter, dat zo jaloers en achterdochtig was dat ze het zelfs niet onder hetzelfde dak met haar eigen moeder kon uithouden.” Een zoon bevestigde deze verklaring.

Paul noemde haar nog kort voor zijn dood ‘die slet van een moeder van mij’.

Zelfs in moederliefde kan een mens zich vergissen.