Mijn Russofobie, of hoe ik naar een land leerde kijken

Terugblik Er is een ongeluk geweest. De zaak is onder controle. Dat was het officiële nieuws over Tsjernobyl. Het toont hoe de Sovjet-Unie de werkelijkheid opofferde aan ideologie. De zaak-MH17 lijkt niet anders, schrijft Raymond van den Boogaard in zijn afscheidsstuk.

Personeel van de geïmproviseerde reinigingsgroep, de zogeheten ‘liquidators’, proberen het dak van de naastgelegen reactor 3 van radioactieve brokstukken te ontdoen. Binnen 40 seconden zouden ze de hoeveelheid straling opdoen die geldt als maximumdosis voor een heel mensenleven. Foto Igor Kostin/Hollandse Hoogte

Maandag 28 april 1986, 21.00 uur Moskou-tijd. In de flat van 70 vierkante meter die de Moskouse vestiging van NRC Handelsblad en het NOS-journaal tot bureau en woonhuis dient, ratelt in de omgebouwde douchecel de telex van het officiële persbureau TASS. Mijn kijk op Rusland, waar ik op dat moment vier jaar werk, zal nooit meer dezelfde zijn – maar dat weet ik dan nog niet.

21.00 uur is niet zomaar een tijdstip. Dan begint het avondjournaal van de staatstelevisie, Vremja. Dat is hét moment voor ‘gevoelige’ mededelingen met een voor het Sovjet-regime ongewenst karakter: dat er een lid van het Politburo is overleden bijvoorbeeld. Dus ik loop naar het apparaat en scheur nieuwsgierig het papier uit de machine.

Een drieregelig bericht: in de ‘Tsjernobylski-AES’ is een ongeluk geweest. Er is bereids een commissie van onderzoek ingesteld. De zaak is onder controle.

Dit moet iets groots zijn. Want nog het kleinste voorval in de Moskouse metro is iets waarover mijn aardige huishoudster me slechts op het balkon van de flat, onder dekking van het verkeerslawaai, durft te vertellen. In het socialisme gebeuren immers geen ongelukken. Dus als TASS dit bericht, wil dat wat zeggen. Maar wat is er gebeurd? Wat een AES is, weet ik: een atoom-elektrostation, oftewel kerncentrale. Het bijvoeglijk naamwoord ‘Tsjernobylski’ hoort vermoedelijk bij een plaats die Tsjernobyl zal heten.

Waar ligt dat? Gelukkig heb ik onlangs een Grote Sovjet-atlas op de kop getikt, met register. Er blijken twee Tsjernobyls: een dorpje in Kazachstan en een plaats in Wit-Rusland. Die laatste ligt het meest voor de hand, want ernaast is een meer en kerncentrales moeten gekoeld worden. Ik schrik: dit Tsjernobyl ligt vlakbij de miljoenenstad Kiev, hoofdstad van de Oekraïne.

Ik heb nog een andere telex in de douchecel, van het Franse persbureau AFP. Anders zou ik, net als de Sovjet-bevolking, van de wereld afgesloten zijn. Buitenlandse radiozenders worden in Moskou gestoord, automatische telefoonverbindingen met het Westen bestaan niet, internet is nog niet uitgevonden. AFP bevestigt dat het om iets groots gaat: nu pas wordt duidelijk waar de radioactieve stofwolk vandaan komt, die over Scandinavië trekt.

Sovjet-superioriteit

Het drieregelig bericht wordt, bijna terloops, voorgelezen aan het eind van Vremja, net voor de sport. De nacht werk ik voor de krant van de volgende dag met de weinige informatie die er is. Duidelijk is dit nieuws bijzonder onwelkom in het Kremlin. Wanneer elders in de wereld een ongeluk gebeurt met een kerncentrale, in de VS bijvoorbeeld, schrijft de Sovjet-pers altijd dat zoiets hier niet kan gebeuren omdat in het socialisme kerncentrales zonder winstoogmerk worden gebouwd, de zoveelste aanwijzing voor de superioriteit van het Sovjet-systeem. Geruchten over ongelukken met centrales in de Sovjet-Unie hadden steeds betrekking op verafgelegen locaties, waarheen buitenlanders niet reizen mogen. Tsjernobyl ligt daarentegen in het dichtbevolkte Europese deel van de wereldmacht, en de radioactieve wolk is in West-Europa niet onopgemerkt gebleven.

Onder normale omstandigheden gedijen correspondenten bij groot nieuws in ‘hun’ land, maar de Sovjet-Unie is geen gewoon land: het gebrek aan informatie in de volgende dagen maakt ‘Tsjernobyl’ voor mij tot een frustrerende, licht claustrofobische ervaring. Als ik op de morgen van 29 april mijn kopij naar de krant heb gestuurd – per telex, met zo’n papieren lint door de machine, jammer dat telex niet meer bestaat – kijk ik naar buiten.

Vanuit mijn flat op de twaalfde verdieping van een buitenlandersgetto met politieagent voor de deur zie ik donkere wolken. Het zal toch niet? Kan ik over een paar uur wel veilig naar de Nederlandse ambassade voor de Koninginnedagreceptie, met haring en jenever? Die wolken blijken slechts onweer, en de radioactieve wolk heeft Moskou nooit bereikt, weten we nu. Maar de onzekerheid typeert het gebrek aan informatie.

Moet ik aansluiten bij de onder Russen populaire gedachte dat als iets in Pravda staat, precies het tegendeel waar is?

Toevallig heb ik in Nederland mijn dienstplicht vervuld als NBC-specialist (van ‘nucleair, biologisch en chemisch’). In die functie berekende ik de inzetbaarheid van de manschappen in mijn eskadron na de ontploffing van een kernwapen. In tegenstelling tot wat de leek soms denkt, is het namelijk niet de bedoeling dat het leger dan hard weg loopt. Met stralingsdosis x, zal ik maar zeggen, kan een peloton nog vijf uur een brug bewaken, voordat de mannen fysiek onbruikbaar worden. Ik had voor die berekeningen handige tabellen, met links de doses en rechts de beeldend beschreven fysiologische gevolgen, tot de dood aan toe.

Voor onderschatting van radioactiviteit ben je bij mij dus aan het verkeerde adres. Die onderschatting is in 1986 om mij heen echter aan de orde van de dag. Door contact met de redactie raak ik aardig op de hoogte van de zorgen omtrent spinazie in Nederland. Russen daarentegen weten niks over mogelijke besmetting door radioactief stof, en evenmin lijkt het ze te kunnen schelen. Spinazie is in staatswinkels sowieso een onbereikbare groente met mythische status, maar melk is er wel. Elke dag brengt mijn huishoudster een fles mee en lacht mij uit als ik weiger te drinken.

Sovjet-perskaart van Raymond van den Boogaard, „permanent correspondent van de krant NRK-Chandelsblad en NOS-televisie. Nederland.” Het Russisch kent de ‘C’ en ‘H’ niet.

Deze gedragslijn, vermoed ik, is ingegeven door onze, voor mij onzichtbare KGB-toezichthouder, om mij te confronteren met het ideologische karakter van mijn zogenaamde zorgen. Want zoals elke dag in de Sovjet-pers staat: de burgerlijke (ook wel ‘imperialistische’) persvertegenwoordigers in Moskou maken alleen zo’n punt van een klein incident dat al lang weer onder controle is, om ‘de nucleaire ontwapeningspolitiek van de Sovjet-Unie’ in diskrediet te brengen, en de Amerikaanse plannen voor het raketschild SDI in het zonnetje te zetten.

Westerse correspondenten kunnen alleen met een reisvergunning Moskou verlaten. Die wordt in deze dagen niet verleend, zodat aan een reportage uit Kiev of Tsjernobyl niet te denken valt. Ook een telefoonverbinding met de Oekraïense hoofdstad behoort niet tot de mogelijkheden – het is trouwens onwaarschijnlijk dat een inwoner van Kiev nu iets over de telefoon vrijuit vertelt.

Treinen vol kinderen

Na geruchten dat er in Moskou uit Kiev treinen vol kinderen aankomen, ga ik met een collega naar het station om reizigers te vragen hoe het daar is. Mannen in leren jasjes wachten ons op, en laten op agressieve toon weten dat we ons daar niet mogen ophouden. Ze citeren een wetsbepaling dat het verboden is „de burgers in hun normale gang te storen”.

Een vechtpartij beginnen heeft voor een verslaggever in Moskou niet veel zin, en onder de dreigende blik van de leren jasjes zou trouwens geen voorbijganger iets verklaren.

De correspondent is dus veroordeeld tot het weinige dat officieel wordt meegedeeld. Pravda plaatst mondjesmaat berichtjes, steeds met de strekking dat de zaak onder controle, eigenlijk al voorbij is. De geloofwaardigheid wordt enigszins ondergraven doordat er voortdurend melding gemaakt wordt van de bezwering van gevaren, die in eerdere krantenberichten niet voorkwamen. Moet ik aansluiten bij de onder Russen populaire gedachte dat als iets in Pravda staat, precies het tegendeel waar is? Dus als deze krant schrijft: de brandweerlieden, bij de reactor aangekomen, begrepen onmiddellijk dat deze brand niet met water bestreden moest worden, wil dat vermoedelijk zeggen dat de spuitgasten er de straal op zetten. Als basis voor berichtgeving in NRC Handelsblad lijkt dit dialectisch concept minder bruikbaar.

Op 1 mei vertoont Vremja traditioneel beelden van de parades in Moskou en de hoofdsteden van de Sovjet-republieken. Dit jaar zijn er – zonder toelichting – opeens ook beelden uit een obscuur Wit-Russisch provinciestadje, Gomel: vrachtwagens opgetuigd met gebruikelijke slogans als ‘Partij en volk zijn één’, marcherende kinderen met vlaggetjes. Wat het journaal niet zegt, is dat de provinciehoofdstad Gomel dichtbij Tsjernobyl ligt. Achteraf weten we dat Gomel de radio-actieve stofwolk voluit over zich heen heeft gehad. De kale stralings-kindertjes die nog jarenlang in Nederland zijn verpleegd, kwamen uit deze provincie. Het ideologisch imperatief wint het dus in de officiële berichtgeving, en wellicht in het gevoerde beleid, van overwegingen van voorzichtigheid en menselijkheid: het gevaar is een propagandistisch instrument van de vijanden van de Sovjet-Unie, en dus doen we net alsof dat gevaar niet bestaat. Jammer voor de slachtoffers.

Burgerlijke pers

Op 6 mei is er voor het eerst een persconferentie van de autoriteiten over de ramp, die er voornamelijk op neerkomt dat de burgerlijke pers geen vragen mag stellen.

Enkele dagen daarna toont Vremja beelden waaraan ik tot de dag van vandaag niet zonder huivering kan terugdenken. Een groep mannen – militairen die zich voor deze taak vrijwillig hebben gemeld, zegt het commentaar – zie je bezig met het opruimen van stukken grafiet en metaal, die bij de ontploffing van reactorblok vier op de andere gebouwen van de centrale terecht gekomen zijn. In verband met de straling, zegt het commentaar, mogen ze dat per man slechts veertig seconden doen.

Foto Rob Severein

Je hoeft geen NBC-specialist in het Nederlandse leger geweest te zijn, om te begrijpen dat deze mannen kinderen des doods zijn, omdat ze objecten manipuleren die een hoge directe straling afgeven. Veertig seconden zijn daarvoor niet nodig, twee is vermoedelijk al voldoende. De morbide perfiditeit van deze propagandabeelden blijkt nog het best uit de details: die lederen voorschoten die ze aanhebben zijn belachelijk; ze bieden tegen directe straling geen enkele bescherming.

Bij deze beelden dringt het voor het eerst goed tot me door: ik woon hier in een land waar het belang van de mens volstrekt ondergeschikt gemaakt wordt aan ideologie en machtspolitiek, zonder dat iemand dat zelfs maar merkwaardig vindt. Je kunt zeggen dat ik dit al had kunnen weten – tenslotte is er de geschiedenis van de terreur en de kampen in de jaren dertig als illustratie van wat je met de Russische bevolking ongestraft kunt doen. Maar ik houd me hier al vier jaar staande als correspondent, en dan dring je uit lijfsbehoud zulke nare gedachten naar de achtergrond. Overigens weten we nu dat de mannen op het dak inderdaad allemaal gecrepeerd zijn.

Op 15 mei houdt partijleider Mikhail Gorbatsjov een televisietoespraak, waarin hij een ramp erkent en zelfs woorden vindt voor de slachtoffers. Na drie weken is er opeens toch iets van betekenis gebeurd. De verzwegen werkelijkheid van de ramp wordt nu opeens, met name in de buitenlandse opinie, een bewijs voor de hartverwarmende wijze waarop Gorbatsjov het vermolmde Sovjet-systeem in de richting van meer moderniteit en openheid poogt te leiden. ‘Tsjernobyl’, heet het ook in latere memoires van Sovjet-kopstukken, was een omslag in de machtsstrijd tussen conservatieven en modernen in de Sovjet-leiding, waarbij de goeden wonnen.

Vakantiegangers

Dat is mogelijk, maar dertig jaar later blijkt deze bekentenis tot de werkelijkheid helaas niet beklijfd. Als de Russische oorlogspartij in Oekraïne in 2014 per abuis een vliegtuig met vakantiegangers op weg naar Maleisië uit de lucht schiet, blijkt het ideologisch primaat in de centraal aangestuurde Russische media nog springlevend. De werkelijkheid lijkt banaal: Russische luchtafweer had kort tevoren al twee keer een MiG-straaljager van het Oekraïense regeringsleger uit de lucht gehaald en zelfs een heel Antonov-transportvliegtuig. Dus toen MH17 in beeld kwam, heeft iemand met een hand aan een knop een vergissing gemaakt. Dit gegeven is voor het Kremlin echter onaanvaardbaar.

Foto Rob Severein

Pripjat is gebouwd in 1970, gelijk met de twee kilometer zuidelijker gelegen reactor RMBK. Het zwembad was na de ramp nog jaren geopend voor mensen die werken aan de centrale. Foto Rob Severein

De methoden zijn andere dan in 1986: niet meer glashard wegpoetsen, maar verwarring zaaien door een propagandistisch bombardement van soms bizarre alternatieve theorieën, waaruit het Westen en Oekraïne als moreel verantwoordelijk naar voren komen. De termen ‘imperialistische’ of ‘burgerlijke’ pers zijn niet meer in zwang, maar de Westerse berichtgeving geldt nog steeds als een geniepig instrument om Rusland zwart te maken.

Daarbij valt vaak het woord ‘Russofobie’. Wie iets te berde brengt wat het Kremlin niet uitkomt, krijgt een fanatieke, onredelijke angst voor Rusland in de schoenen geschoven – een psychische aandoening bijna. Maar ik vind ‘Russofobie’ eigenlijk wel een adequate beschrijving voor de gevoelens die ik aan mijn ervaringen als correspondent in 1986 overhield. Meer dan Poetins wapengekletter of het voortdurende gedreig met kernwapens, boezemt dit ene Russisch vermogen mij schrik in: de werkelijkheid opofferen aan ideologische voorstellingen, zonder enige consideratie met mensen, en zonder dat daarover in Rusland of daarbuiten veel deining ontstaat.