Column

Kaasboer

Het was Koningsdag, De Dochter en ik worstelden ons tussen de rommelverkopers door naar Albert Heijn toen ik de lange arm van Arno naar me toe zag komen. Even later landde zijn hand op mijn schouder. Arno Cowan is de eigenaar van de kaaswinkel over wie ik vorige week een column schreef.

„Daar gaat ons pleziertje, dit gaat wel even duren”, zei ik in de kinderwagen.

Toen ik achter hem de kaaswinkel binnen sjokte onderging ik in gedachten alvast de tuchtiging die ik tussen de kazen zou krijgen, zo gaat het meestal als ze zich ongevraagd in mijn schrijfsels herkennen. In plaats daarvan kwam hij met een groot stuk jonge kaas aanzetten.

„Voor de kleine!”

Ik: „Ze slaapt…”

Het maakte Arno niet uit.

„Kaas!”, riep hij, terwijl hij aan de kinderwagen schudde. „Kijk dan, jonge kaas! Lekkerrrr! Lekkerrrr!”

Zijn eigen dochters had je op die leeftijd helemaal niets hoeven zeggen, die hadden het meteen in de gaten als hij ze met een stuk kaas in de knuist naderde.

Arno had mijn stukje meerdere malen bestudeerd en eruit geconcludeerd dat hij toch wel een bijzonder mens was, dat vonden meer mensen.

„Ik heb gewoon een apart gevoel voor humor.”

Hij vertelde een anekdote over een keer dat er weer niemand om een grap lachte. Dat was toen een klant aan zijn ex-vrouw vroeg of ze weer zwanger was.

„Ja!”, had hij toen geroepen, „maar niet van mij!”

Dat soort humor, grappen waar niemand om kon lachen, daar vonden wij elkaar.

Vond Arno.

Ik wist toen nog niet dat we eigenlijk collega’s waren.

„Ik schrijf pas 43 jaar, dus.”

Iedere dag minimaal één gedicht en hij ging speciaal voor mij De Slaapwandelaar uitprinten, zijn roman over de oorlog tussen de rode bosmier en de houtworm.

De Dochter was weer wakker.

„Laat mij maar”, zei hij.

Even later declameerde hij boven de kinderwagen een van zijn gedichten.

Een mens/Is een mens/Tot dat de wens/Uitgesproken wordt/Een Geest /Te zijn geweest.

De Dochter was rood aangelopen toen we weer buiten stonden.

„Dag Arno, tot de volgende keer…”, zwaaide ik.

„Dag collega!”

Ik nam het pleintje nog maar eens goed in me op, ik besefte heel goed dat ik nooit meer ongezien naar de enige Albert Heijn in de buurt kon. Binnenkort wist ik alles van het conflict tussen de rode bosmier en de houtworm. Dat was de schaduwkant van een schrijvend bestaan, de vraag drong zich op waarom ik geen kaaswinkel was begonnen.