Waarom steunden gewone Duitsers Hitler?

Tweede Wereldoorlog De simpelste vragen over de redenen van de gewone Duitsers om Hitler te steunen zijn nooit gesteld. Twee historici maken een einde aan dat hiaat en geven genuanceerde antwoorden, ontdaan van elk moralisme.

Bijna jaarlijks breekt er in Nederland rond 4 mei dezelfde discussie los: mogen tijdens de dodenherdenking naast de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog ook andere groepen worden herdacht? Nog steeds lopen de gemoederen hoog op, tot rechtszaken aan toe, als een gemeentebestuur besluit Duitsers voor de plechtigheid uit te nodigen, of de stille tocht ook langs Duitse graven wil laten lopen.

Herdenken en het verleden daadwerkelijk proberen te begrijpen zijn twee verschillende dingen, zo blijkt elke keer opnieuw. Vaak sluiten ze elkaar zelfs uit. Ironisch genoeg lijkt Nederland in dit opzicht sprekend op Duitsland: de maatschappelijke druk om het slachtofferschap van de Tweede Wereldoorlog voorop te stellen staat ook daar een dieper begrip van die oorlog in de weg. Dat was de conclusie van de Australisch-Britse historicus Nicholas Stargardt toen hij de oorlogsherdenkingen in Duitsland observeerde: ‘de eigentijdse behoefte om de juiste didactische lessen uit het verleden te trekken had zowel wetenschappers als de media ertoe gebracht een van de essentiële taken van historisch onderzoek te veronachtzamen – inzicht in het verleden.’

Zowel in Duitsland als in Nederland is er verbijsterend weinig aandacht geweest voor de simpelste vragen die fundamenteel zijn om de oorlog te begrijpen: hoe kon het dat zoveel mensen zich tot het nazisme voelden aangetrokken? Hoe kon het dat ook de miljoenen Duitse burgers en soldaten die geen fanatieke nazi’s waren plichtsgetrouw vochten in een oorlog die het uiterste van hen vergde? Wat was hun beleving van die oorlog? Twee meesterlijke boeken geven voor het eerst een afgewogen en genuanceerd antwoord op die vragen, zonder te vervallen in moralisme of juist een alles op één hoop gooiend relativisme. Stargardt verwerkte twintig jaar onderzoek in De Duitse oorlog, waarin hij ruim twintig mensen door de oorlogsjaren heen volgt, hun angsten en dromen schetst, en een totaaloverzicht van de oorlog biedt, inclusief de militaire, sociale en economische aspecten. Ongeveer gelijktijdig verscheen Kind, beloof me dat je de kogel kiest van de Duitse historicus Florian Huber, dat je haast een soort light versie kunt noemen van Stargardts standaardwerk: aan de hand van de zelfmoordgolf onder tienduizenden Duitse burgers in april en mei 1945 stelt hij dezelfde vraag: wat dachten en geloofden al deze mensen dat ze uiteindelijk tot zo’n drastische daad werden gedreven?

‘Wie een waarom heeft om voor te leven, verdraagt vrijwel elk hoe,’ zo omschreef een Duitse vrouw achteraf haar gevoel van ‘ernstige kalmte’ toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Ze was nog maar een meisje toen de Duitse kranten – al jaren genazificeerd – op 1 september 1939 het bericht brachten dat Poolse milities een aanval op Duitsland hadden gepleegd, waarschijnlijk met hulp van Engeland. Duitsland moest zichzelf nu verdedigen, zo luidde de versie van het naziregime. En hoe gek dat nu ook klinkt: vrijwel de hele Duitse bevolking geloofde dat. Zelfs geëmigreerde sociaal-democraten moesten constateren: ‘Een actie tegen Polen wordt verwelkomd door een overweldigend deel van het Duitse volk.’

Het Duitse trauma van de Eerste Wereldoorlog, omsingeld te zijn door vijanden, was nooit helemaal verdwenen, en sinds de nazi’s in 1933 aan de macht waren gekomen hadden die het verder aangewakkerd. Een kleine jongen uit Gießen zag hoe zijn vader huilde van ontroering bij een NSDAP-optocht waarbij de oude regimentsvlaggen van de Eerste Wereldoorlog werden gedragen, als een eerbetoon aan alle gesneuvelden en veteranen.

Zo wist het nationaal-socialisme miljoenen Duitsers te raken: door een beroep te doen op het verlangen naar een gemeenschapsgevoel dat ze sinds de nederlaag van 1918 niet meer hadden ervaren. De belofte van nationale eendracht en kameraadschap raakte een gevoelige, bijna spirituele snaar. Een 10-jarige jongen raakte overweldigd tijdens zijn eerste bijeenkomst van de Hitlerjugend: ‘De eed van trouw, midden in een natuurlandschap beleef ik als een onomkeerbare gemeenschappelijke ervaring: een onvergetelijke, aangrijpende en grootse belevenis van een bijna religieus-symbolische ceremonie’.

Het overgrote deel van de Duitsers was religieus gebleven en combineerde het lidmaatschap van een nationaal-socialistische organisatie met dat van een kerk. Voor velen stond het geloof boven de politiek, en daar wisten de nazi’s uitstekend gebruik van te maken, zeker toen de oorlog uitbrak. Algemeen patriottische waarden van ‘toewijding’, ‘moed’, ‘paraatheid’, ‘zelfopoffering’ en ‘trouw’ waren voor de meeste Duitsers veel doorslaggevender dan de nazi-ideologie. Hitler en Goebbels speelden daar welbewust op in. Onder de protestantse Duitsers weigerde er welgeteld één dienst uit gewetensbezwaren.

Onder de protestantse Duitsers was er welgeteld één die dienst weigerde

Na de overwinning op Polen had Hitler een vredesaanbod aan Frankrijk en Engeland gedaan, dat in de Duitse pers breed werd uitgemeten. Toen de geallieerden het aanbod weigerden, was het voor de Duitse burgers een kleine stap om in mei 1940 daadwerkelijk te geloven dat Frankrijk en Engeland van plan waren België en Nederland te annexeren. Dat was het verhaal dat het naziregime de bevolking voorhield. En – wederom – de meeste mensen geloofden dat. Toen op 10 mei 1940 Freiburg werd gebombardeerd, waarbij 57 mensen omkwamen, onder wie 13 kinderen, schreven de media dat het een geallieerde bommenwerper was geweest. Dat het Duitse bommenwerpers waren die Freiburg voor Dijon hadden aangezien werd verzwegen.

Foto Hulton-Deutsch Collection/CORBIS,

Fotobewerking studio NRC. Foto Hulton-Deutsch Collection/CORBIS,

En zo wist het naziregime keer op keer de Duitse oorlog als zelfverdediging of ‘preventieve acties’ te presenteren. Dat gold ook voor de stelselmatige moordpartijen op Poolse joden die al in 1939 waren begonnen. Die werden gerechtvaardigd in een mediacampagne met beelden van karren vol lijken, treurende moeders en echtgenotes, verkrachte vrouwen. Het was een tactiek die propagandaminister Goebbels keer op keer toepaste, met name tegen Rusland. Bij elke foto- of filmreportage werd herhaald: dit waren genocides gepleegd door de joodse bolsjewieken. Op 16 november 1941 verklaarde Goebbels dat medelijden misplaatst was: ‘het wereldjodendom wordt nu geleidelijk overspoeld door hetzelfde uitroeiingsproces dat het voor ons in gedachten had en dat het zonder enige scrupules zou hebben laten gebeuren als het de macht daartoe had gehad.’ Acht jaren van staatspropaganda hadden hun werk gedaan. De meeste soldaten vonden het gruwelijk wat hen werd opgedragen maar geloofden in de noodzaak: ‘De joden worden volledig uitgeroeid. Lieve H., denk er alsjeblieft niet over na, het moet nu eenmaal zo zijn,’ schreef een reservist al in 1941 aan zijn vrouw.

Door dit soort brieven sijpelden berichten over de Holocaust al vroeg door. Aanvankelijk was Goebbels van plan een mediacampagne in te zetten om de moord op de joden te rechtvaardigen, maar begin 1942 veranderde hij zijn beleid. Nu de meeste Duitsers hele of halve berichten over het lot van de joden hadden gehoord, besloot hij de sfeer van geheimzinnigheid aan te moedigen. De geruchtenstroom kreeg de vrije loop, maar Goebbels zorgde ervoor dat het regime nooit meer dan toespelingen maakte op de massamoorden in het oosten. Zo bleef kennis van de Holocaust in de privésfeer hangen. En zonder de confrontatie van een publiek debat kozen de meeste Duitsers voor de makkelijkste weg: ze lieten hun hele of halve kennis voor wat die was. De Holocaust werd een gedeeld geheim. Zo kreeg een meisje van zeventien door een vriendin ingefluisterd dat de stoet joodse Duitsers die ze op straat zag lopen in Polen vermoord zouden worden. Thuis kreeg ze er niets over te horen, behalve een krampachtig stilzwijgen en neergeslagen blikken. Haar moeder verklaarde dat ze na de oorlog weer ruimte voor mededogen zou hebben. En van haar zwager, die met verlof was van het oostfront en met handen voor zijn oren door de kamer ijsbeerde, omdat hij het gegil niet uit zijn hoofd kon krijgen, hoorde ze alleen maar: ‘We moeten deze oorlog winnen, anders wordt het vreselijk.’ Die panische angst voor de nederlaag werd ingegeven door dat gedeelde geheim. Dat is wat Huber en Stargardt indringend laten zien. Tegen het eind van de oorlog was de Duitse bevolking vervuld van het radicale besef dat hun Führer altijd al had bezield: ‘Zij of wij’, de overwinning of de vernietiging.

Foto Berliner Verlag/Archiv/dpa/Corbis, fotobewerking studio NRC

Berlijn op 1 mei 1945. Foto Berliner Verlag/Archiv/dpa/Corbis, fotobewerking studio NRC

Velen hadden de geallieerde bombardementen op Hamburg en Berlijn al gezien als vergeldingsacties voor ‘wat wij de joden hebben aangedaan’. Dat was de reden waarom zoveel Duitsers gemotiveerd waren om door te vechten tot het einde. Dat was waarom velen zelfmoord verkozen boven overgave.

Na 1945 sloeg de Duitse opofferingsgezindheid snel om in zelfmedelijden en slachtofferschap. Het Duitse woord ‘Opfer’ betekent zowel ‘opoffering’ als ‘slachtoffer’, merkt Stargardt scherp op in zijn epiloog. Hij schetst daarin een strikt feitelijk, maar daardoor des te vernietigender beeld van een volk dat weigert verantwoordelijkheid te nemen, zich verschuilt achter redenaties die ook al tijdens de oorlog als legitimatie moesten dienen: de Duitsers waren zelf ook slachtoffer van de geallieerde bombardementen, van dreigende genocides aan de oostgrens. Eigenlijk was iedereen slachtoffer.

Maar de droom van een mystiek vaderland was na 1945 uiteengespat, en had geen enkele rechtvaardigingskracht meer, schrijft Huber aan het eind van zijn boek. ‘De gemeenschappelijke hartstocht maakte plaats voor het nuchtere verlangen naar een rustiger, afgebakend leven zonder avonturen, plotselinge emoties en moeilijk te beheersen opgewondenheid. Op buitenstaanders kon de stemming in het naoorlogse Duitsland hard en steriel overkomen, met versteende, vreugdeloze, koude mensen.’

Zowel Stargardt als Huber schrijven invoelend over hun hoofdpersonen, zonder hun keuzes te vergoelijken of te relativeren, en zonder de grote historische vraagstukken uit het oog te verliezen, zoals in de Nederlandse ‘literaire geschiedschrijving’ vaak gebeurt. Beiden bedrijven literaire geschiedschrijving in de ware zin des woords: mensen tonen in al hun gelaagdheid en innerlijke tegenstrijdigheid. Hoe patriottisme en plichtsbesef konden botsen met schaamte en twijfel, zoals een soldaat die had meegeholpen aan het platbranden van een Russisch dorp beschreef in een brief aan zijn vrouw: ‘Soms schaam ik me er zelfs voor dat iemand mij liefheeft.’