Even zie je ook je eigen speledood weer voor je

De dichter Wesseling is een magistrale beeldsnijder, verhalenverteller en oeuvrebouwer. Net als in een vorige bundel zijn nu, zij het wat speelser, wederom dood en rouw alom tegenwoordig.

Een dorpje werpt zich op Foto ANP

& de dag ligt open als een ei in zijn gebroken schaal heet de derde dichtbundel van Bernard Wesseling. Die titel is opmerkelijk, al was het maar door de ampersand waarmee hij opent. Dat en-teken suggereert een nevenschikking met iets voorgaands. Als was het een knipoog naar de lezer, in de zin van ‘Wij weten wel waar het over gaat’. De titel zou een citaat kunnen zijn, maar lijkt toch bovenal te zinspelen op de techniek van een volkse vertelling die van ‘En toen’ naar ‘en toen’ verloopt. Het eerste gedicht in de bundel lijkt deze indruk te bevestigen. ‘& we rijden’ luidt de titel. Dat is herkenbare taal – ook door de tekst die volgt. Het is een tekst die meer om meekijken dan om lezing lijkt te vragen. Wesseling neemt ons mee in de trein en toont het landschap dat langs glijdt:

Een dorpje werpt zich op. Runderen liggen

in het land als banken, schonkig staan ze

te drinken uit de sloot. Een gekapseisde trein raast

over het wolkendek. Langs het spoor de volkstuintjes

keurig verkaveld. Een scheef kerktorentje windt zich

om de zon, recht zich dan braaf. Tegen het geel

van boterbloemen, niet meer een uit een veld weg

te denken. En de luchten snellen over voor je

oude meesters kunt zeggen.

Het ritme en de regelval zijn bijna zo schonkig als de runderen. Bernard Wesseling (1978) is dan ook absoluut geen zanger. Hij is, blijkt ook uit deze bundel, vooral een verhalenverteller. Niet in rationeel proza, maar in zintuiglijke beeldtaal. En dat hij goed kan kijken blijkt uit bovenstaand citaat. De blik gaat van de koeien naar de sloot, en daarin zien we dan onze trein door de wolken rijden. Gekanteld, want de hoek tussen trein en sloot is negentig graden. En dan volgt dat vanzelfsprekende, maar treffende beeld van het kerktorentje.

Wesseling is een magistrale beeldsnijder. Dat leidt tot uitnodigende beginregels, zoals die van het gedicht ‘Chambre d’hôte’. Het vers opent in een soort reisgidstaal: ‘Afslag maanverlichte midgetgolfbaan vind je een dik stenen huis.’ Onmiddellijk daarna wordt het blikveld persoonlijk: ‘een dik stenen huis dat in de loop van jaren tot een vogelkooi is geworden.’ Daarmee is mijn belangstelling voldoende gewekt om het gedicht te willen uitlezen, en dat geldt ook voor de eerste regel van ‘Dorpskerkje’. ‘Er hangt een putlucht die je weemoedig kunt noemen,’ stelt die, ‘maar de bloemen voor de Moeder en Heilige Maagd zijn vers.’

In Naar de daken (2012) schreef Wesseling vooral over de dood en gevoelens van rouw. Dat doet hij weer, zij het minder nadrukkelijk en vaak speelser. Het tweede gedicht van zijn nieuwe bundel, ‘Ritueel, onderbroken’, beschrijft een strandtafereel waarin een klein meisje tot afgrijzen van haar moeder in de branding voor lijk speelt. ‘Even zie je ook je eigen speledood weer voor je,’ noteert Wesseling dan. Maar het blijft geen spel. Later in de bundel schrijft hij over de ‘persoonlijke doden’: ‘je zal ze nog wel eens op de rug zien van een totale / vreemde – vast staat dat te lang aan ze denken’.

Het spel keert terug in ‘Schaduwweduwe’, ‘Kleine geschiedenis van de dood als acteur’ en ‘De weduwnaar’. Daarin blijkt het veelzijdige onderwerp van de dood in goede handen. Trefzeker, deels aforistisch zet Wesseling het lot van de achtergebleven echtgenoot in beeld. De som van dagen ‘zonder’ en de dagen ‘samen’ eindigt in ‘Een positieve balans / die niet te overleven valt. // Ze kon zich altijd zo goed verheugen / dus verheug je, zegt hij hardop / in een zeker einde ondanks het leven.’

In Naar de daken publiceerde Wesseling het roerende gedicht ‘Leidsman’, waarin de zoon de kleren van zijn vader af draagt, ‘de kleren van een afgelegde’. Het titelgedicht van zijn nieuwe bundel onthult terloops in welke kleren de vader het graf in ging. Zijn zoon staat op de begraafplaats en probeert ‘te beleven / zoals het moet worden herinnerd’:

denken aan die dag

dat ik muziek voor je uitzocht

waar je niet om gaf

dat tarwegele linnen pak

alleen gedragen op een paar

zomerse recepties en

niemand die nog kan zeggen

wie je ogen heeft dichtgedaan

Hier verdringen nauwelijks beheerste emoties het spel. Terloops wordt duidelijk waar die ampersand in & de dag ligt open als een ei in zijn gebroken schaal voor kan staan.Mogelijk verwijst dat en-teken naar Wesselings vorige bundel en eerdere ervaring met de dood. En daarmee toont de van oorsprong podiumdichter Bernard Wesseling zich ook op papier een oeuvrebouwer. En niet de minste van zijn generatie.