Deze knaap zoekt alle grenzen op

Een non-Bildungsroman, een mengvorm van genres, maar vooral een schitterende vertelling over de vele belevenissen van een jongeman. In die schakeringen laat de Zwitserse schrijver zijn grootsheid zien.

Zürich dat ‘als een droom uit de blauwe wateren oprijst’. Foto Mary Evans Picture Library/HH

Het begin is al meteen prachtig. We worden mee aan boord genomen van een scheepje en varen in lange zinnen langzaam over het meer van Zürich, met uitzicht op de bergen en de dorpjes op de oever, tot aan Zürich zelf dat ‘als een droom uit de blauwe wateren oprijst.’ Onder de bruggen door glijden we de stad binnen en zien de huizen, de pleinen, de drukte op straat. Zo varen we het verhaal binnen.

En zo worden we, in één beweging door, meegenomen naar een verzonnen, maar wel heel erg op dit Zürich lijkend, naamloos stadje, waarin we door de straten lopen en dan zo, langs het kerkhof, de heuvel op waar het pad in een uitgestrekt beukenwoud verdwijnt. ‘Onder een open koepel van dat bos liep op Paasochtend, bij het krieken van de dag, een jonge man’ en alles wees erop ‘dat daar een gevoelsmens liep’.

Heinrich Lee, om zijn groene kleding altijd de groene Heinrich genoemd, twintig jaar oud, is de hoofdpersoon van het boek. We treffen hem op de dag waarop hij zijn stadje gaat verlaten en met de postkoets naar München vertrekt. Ook hier worden we moeiteloos in de beweging van het verhaal, en in de beleving van de jongen meegenomen. We zien het landschap voorbijkomen, de uitzichten, de luchten, de bergen, de dorpen en stadjes dichtbij en in de verte.

Alles wordt met brede aandacht beschreven en alles is doortrokken van vervoering en bezieling. Hier is een jonge schilder die oog heeft voor alles, en intussen tijdens zijn reis ook nog eens van alles bedenkt bij wat hij ziet – gedachten over scholen en schoolsystemen, de kerk, volksaard, liberalisme, en de snelle opkomst van de dahlia in de tuin van de gewone man. ‘Nieuwsgierigheid, verwachting, levensdrang en reislust hadden hem volledig in hun greep en onrust overspoelde hem.’

Het is het meeslepende begin van een meeslepend boek: Der grüne Heinrich van Gottfried Keller, oorspronkelijk verschenen in 1854-1855, soepel vertaald door Peter Kaaij, 950 pagina’s roman, gevolgd door vijftig pagina’s nawoord. Ik wist niks van Keller, en niks van Zwitserland, en niks van de negentiende eeuw, en belandde onvoorbereid in een andere tijd en een andere wereld dan de onze, maar toch ook weer niet – en heb me geen moment verveeld.

Volwassenwording

Waar gaat het over? Dat is niet eenvoudig te zeggen, maar de hoofdlijn is de volwassenwording van een in zekere zin gewone, maar als het erop aankomt net als iedereen toch bijzondere, eigenzinnige, gevoelige, veel met zichzelf worstelende en veel over zichzelf nadenkende jonge man. Heinrich is opgevoed in armoede, als enig kind, samen met zijn moeder. Zijn vader is al jong overleden. Hij moet alles zelf uitzoeken – ook een rode draad. Hij is naar München vertrokken met vooralsnog niet veel andere bedoelingen dan zijn vleugels uit te slaan, het leven te leren kennen en een betere schilder te worden.

Als hij op zijn huurkamer zijn spullen uitpakt, zien we hem bladeren in een manuscript: een door hemzelf geschreven geschiedenis van zijn jeugd, in maar liefst vijfhonderd bladzijden. Dat verhaal, in de ik-vorm, krijgen we eerst te lezen voordat de roman, in de hij-vorm, verder gaat. Dan blijkt dat veel van wat Heinrich overkomt voorbereid is door zijn jeugd, en er soms ook een regelrechte herhaling van is. Is er dus wel zoveel geestelijke ontwikkeling mogelijk in een mensenleven? Dat is een van de kwesties die deze Bildungsroman, of misschien dus wel non-Bildungsroman, opwerpt. Naast heel veel meer.

Heinrich maakt van alles mee. Hij zoekt – vaak zonder het zelf te willen – de grenzen op. En hij beleeft en ondergaat alles met een enorme intensiteit. Er komen drinkgelagen en gevechten voorbij. Allerlei optochten en voorstellingen, in geuren en kleuren beschreven. Succes en mislukking. Armoe, honger, vernedering, schaamte. Er trekken vele merkwaardige figuren voorbij, uit alle rangen en standen. Er zijn prachtige passages waarin Heinrich als een dichtertje zijn geluk beschrijft, soms op het kwezelige en sentimentele af. Maar ook rouwscènes die door merg en been gaan.

Ook in de liefde beleeft Heinrich veel avonturen, van klassiek-romantisch tot heel verheven, soms met kluchtige verwikkelingen, soms adembenemend sensueel en intiem. Maar er wordt op talrijke plekken tussendoor ook uitgebreid nagedacht en gediscussieerd, over onderwerpen als God en religie, politiek, geschiedenis, sterrenkunde, filosofie. En vaak gaat het over schilderkunst, want daarin moet Heinrich, geen groot talent, zich vaak verdiepen.

In de kachel

Groene Heinrich is dus geen klassieke roman, maar een mengvorm van allerlei genres. Keller beheerst al die genres en weet in zijn dikke boek de vaart er steeds in te houden. Hij is, dus, een groot verteller die goed aanvoelt wanneer hij mag vertragen en wanneer hij weer moet versnellen. Ik, trage lezer, heb geen moment gedacht dat dit boek te dik was.

Het aardige is dat Keller daar zelf anders over dacht. De moeizame ontstaansgeschiedenis van Groene Heinrich wordt door Peter Kaaij in zijn nawoord kort uit de doeken gedaan. Het is een prachtig verhaal. Keller was zijn debuutroman, waar hij helemaal niks mee had verdiend, op een gegeven moment zo zat dat hij in 1879 alle nog voorradige exemplaren bij zijn uitgever opkocht en er, naar eigen zeggen, de kachel mee opstookte. Om, nog mooier, daarna zijn boek meteen drastisch in te korten en te versimpelen – en van een nieuw, happy end te voorzien. In die ‘sentimentele, bijna kitschige gedaante’ werd Der grüne Heinrich alsnog een bestseller.

Er zijn dus twee versies van het boek. Uit het nawoord van Kaaij begrijp ik dat in Duitstalige gebieden de oerversie inmiddels de voorkeur heeft. Dat moet wel te maken hebben met de onbedoeld moderne inslag ervan: een boek met stijlbreuken, met een schrijver die soms zomaar op de voorgrond treedt, met een held die geen held wil zijn, die zelf wil snappen hoe het zit, en die ook zichzelf tegen het licht probeert te houden. Hij wil er wel bij horen, en hij probeert het ook, maar het lukt hem niet. Dat maakt dat we hem, ondanks al zijn vreemde strapatsen, en zijn gebrek aan psychologische tact her en der, toch steeds sympathiek blijven vinden – en herkenbaar. Zijn kritische, onderzoekende houding is van alle tijden. En nee, het loopt niet goed af. En dat is ook van alle tijden.