De verwetenschappelijking van de wereld

De wetenschappelijke benadering in de 17de eeuw die een religieuze verving, had maatschappelijke en historische consequenties, schrijft filosoof Grayling. De breuk blijkt echter minder groot dan hij denkt.

Het heliocentrische wereldbeeld van Copernicus Uit besproken boek

Anthony Grayling, auteur van het onlangs verschenen De tijd van het genie, is een ideeënhistoricus. Hij promoveerde in Oxford, waar hij met boeken over filosofische logica, scepticisme en de filosofie van de 18de-eeuwse bisschop Berkeley, geen vaste grond onder de voeten kreeg. Dat lukte wel in Londen, waar hij hoogleraar werd aan Birkbeck College.

Aan het eind van de vorige eeuw ontpopte hij zich als ‘media-intellectueel’ door in landelijke bladen zijn visie te geven over een breed scala van onderwerpen: van legalisatie van drugs tot euthanasie. Gestimuleerd door dat podium is hij zijn vleugels breder gaan uitslaan. Zijn jongste boek getuigt daarvan. Het is geschreven in de geest van Bertrand Russell: religie is slecht, liberalisme is goed, en de Verlichting is geweldig. Dit boek is een uitwerking van deze visie.

De 17de eeuw is een revolutionaire sprong vooruit in de geschiedenis van het denken. Daarin werd definitief afgerekend met religieuze denkpatronen uit de Middeleeuwen. De wetenschappelijke methodische aanpak brak door, aanleiding voor Grayling om de stelling te illustreren ‘dat de 17de eeuw werkelijk het moment is waarop de koers van de geschiedenis is veranderd, dusdanig grondig zelfs dat alles ervoor een andere wereld is, en alles in die tijd en vanaf toen onze wereld.’

Hij bespreekt daartoe niet alleen de wetenschappelijke en filosofische ontwikkelingen, maar ook oorlogen, magie en het occulte. Dit in de hoop ‘een patroon te ontwaren in de grove beweging van het denken, zoals je vanuit de lucht naar een landschap kijkt.’ Wie echter een patroon zoekt, is genoodzaakt historische gebeurtenissen te interpreteren. Zo ook Grayling, die de Dertigjarige Oorlog (1618–1648) ziet als ‘het laatste internationale conflict in Europa dat zijn wortels vond in religie.’ De belangstelling voor magie is ‘valse kennis’ en een denkraam dat ineenstort, waarna de wetenschap zich weet te emanciperen.

De historische werkelijkheid laat zich echter niet zo gemakkelijk manipuleren. Dit blijkt al meteen in het eerste deel dat grotendeels bestaat uit een samenvatting van diverse geschiedkundige werken. Dan blijkt dat Grayling verslag doet van literatuurstudies en dat het hier niet gaat om oorspronkelijk historisch onderzoek. De Dertigjarige Oorlog wordt zowel gedetailleerd als beknopt beschreven, waardoor de informatiestroom zo compact is dat het onmogelijk is om daaruit een groter beeld van de 17de eeuw te construeren. Vorsten waren katholiek in het ene conflict en werden protestant in een daaropvolgende oorlog; Grayling vertelt het zonder daaraan de onvermijdelijke conclusie te verbinden dat de Dertigjarige Oorlog veel meer was dan een religieuze oorlog; het ging om handelsbetrekkingen en militaire macht binnen Europa.

Ook de ontwikkeling van de wetenschap verzet zich tegen een soepele inpassing in Graylings beeld van de geschiedenis. Wetenschappelijk onderzoek en magie waren nauw met elkaar verweven. De pogingen om de werkelijkheid te beschrijven in wiskundige termen kan niet los worden gezien van getallenmystiek. Met de raadselachtige Newton zit Grayling duidelijk in zijn maag. De allergrootste wetenschapper van de 17de eeuw besteedde het merendeel van zijn tijd aan alchemie en magische speculaties over de verborgen code in de Bijbel die de natuur zou verklaren.

Copernicus

Om uit te leggen waar de grootheid van Galilei uit bestond moet Grayling zijn toevlucht nemen tot het heliocentrische wereldbeeld van Copernicus uit de 16de eeuw, zodoende zijn stelling ontkrachtend dat mensen in 1600 in een andere werkelijkheid leefden dan in 1700. De kritiek op het beeld van Galilei als een wetenschapper die met redelijke argumenten de onredelijke kerk wilde overtuigen, laat Grayling ten onrechte onbesproken.

Toch is zijn boek niet zonder verdienste. De ruime aandacht voor Marin Mersenne (1588-1648) is terecht. Deze Franse Universalgelehrter schreef ongelooflijk veel brieven aan de meest vooraanstaande wetenschappers van zijn tijd om zo informatie uit te wisselen over de nieuwste wetenschappelijke ontdekkingen. Hij beschikte over een groot netwerk en bracht mensen met elkaar in contact. De rol van de familie Taxis bij het op tijd bezorgen van de post in Europa, belicht Grayling uitvoerig.

Interessant is ook het hoofdstuk over de magiër John Dee (1527-1608). Deze Brit verbond wiskunde met magie, als wichelarij en alchemie, en presenteerde zijn bevindingen zo overtuigend dat hij het schopte tot adviseur van koningin Elizabeth I. Hij trok zich terug van het hof, toen hij de verschijning van een komeet interpreteerde als een aanwijzing dat hij zijn levensloop moest wijzigen. In Midden-Europa bond hij een schare volgelingen aan zich. Grayling ziet in deze 16de-eeuwse magiër de inspirator van de 17de-eeuwse Rozenkruisers, waarmee hij opnieuw de continuïteit in de geschiedenis van het denken illustreert, in plaats van de breuk in wetenschappelijk denken die hij ziet tussen Middeleeuwen en Renaissance.

Niet altijd kan Grayling de neiging onderdrukken om lange zinnen te schrijven. Op diverse plaatsen is de tekst niet te volgen, en dan is de lezer genoodzaakt de oorspronkelijke Engelse tekst te raadplegen. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn van een vertaling. In hoofdstuk 18 is bijvoorbeeld ook in de oorspronkelijke tekst een voetnoot verdwenen, waardoor de noten niet meer correct verwijzen. De vertalers hebben dat niet opgemerkt, waardoor de indruk ontstaat dat ze de hoofdtekst en het notenapparaat separaat hebben vertaald. Haastwerk wellicht? In ieder geval slordig. De 17de eeuw heeft beter verdiend.