De Dender

Georgina Verbaan

On the further bank the willows wept in perpetual lamentation, their hair about their shoulders. Het is een van mijn lievelingszinnen, van Virginia Woolf.

Ik moest eraan denken toen ik aankwam in Dendermonde, België. Na wat een wilde tocht in een klein bootje op de Noordzee tijdens een westerstorm leek, maar wat in het echt de lappendeken was die het Vlaamse wegendek heet te zijn, met gaten vol water en nog eens meer water dat kwaadwillend uit de lucht op alle voertuigen neerdaalde en het zeer spannend maakte om koers te houden zonder te sterven, kwam ik aan in Dendermonde, in het woon- en landbouwgedeelte aan de Dender. Het was maandagavond. Als er net een atoombom gevallen zou zijn was er vast meer reuring geweest.

Brood in een broodautomatiek wachtte roerloos op zijn lot. Het regende onophoudelijk. Grote dikke druppels triest met een vleugje eenzaamheid, ook al waren ze met zo velen. Of juist daarom. Word als druppel maar eens gezien in al je weerkaatsende, lucide pracht, terwijl iedereen voor je wegrent, voordat je één groot geheel wordt met wat niet door het Vlaamsche wegdek wegzakken kan. De lucht met zijn boze wolken in vele tinten fel grijs stak hard en spottend af tegen het ontloken groen van de bomen. De zon mocht zo nu en dan even meedoen en voorzag het geheel dan van een surrealistisch licht dat wonderen lijkt aan te kondigen. Maar nee.

Hoewel de bomen en de kleine blauwpaarse bloemetjes waarvan ik echt eens de naam moet onthouden, zich al gewonnen gaven, bleven de druppels zich levensmoe laten vallen uit die dikke vette wolken, die op hun beurt hun inhoud zonder omkijk vaarwel zeiden. Rolluiken waren gesloten. Ik vroeg me af voor wie in godsnaam, en besefte dat ik een vreemdeling was. Een vreemdeling die komt kijken hoe de druppels met pech zich laten vangen in een stuk oranje tentzeil dat half van een schuurtje afhangt, de vreemdeling die ruikt hoe er ergens draadjesvlees gegaard wordt, ook lijkt er niemand te leven in deze natte dooie bende.

Voor mij doemde plots het grote grijze gebouw van bed & breakfast Aba Loona op. Binnen werd ik verwelkomd door een vriendelijke, ietwat vermoeid ogende vrouw. De reden van haar vermoeidheid stak nadat ze mij de kamersleutels had overhandigd zijn nog tandenloze gezicht door een deur achter de balie. Ik keek rond in de ontbijtzaal. Witte plavuizen, grijze tafeltjes, alles kaarsrecht. Buiten nog steeds regen. Miljoenen anonieme druppels. In de vijver in de tuin roerde een karper zich. Uit de speakers klonk Elton John’s Don’t let the sun go down on me. Frozen here on the ladder of my life zong ’ie. Ja, dat kon er nog wel bij.