Als recensenten ‘tieten’ hebben

Zou de literatuur er anders uit hebben gezien wanneer er eerder meer vrouwelijke recensenten waren geweest? En hoe zit dat nu? Zijn er tegenwoordig wél genoeg vrouwelijke recensenten?

Mevrouw Alba uit Oostenrijk schrijft in 1940 na jaren oefening tegerlijktijd met de linker- en de rechterhand Foto Spaarnestad

We leven in een seksistische leescultuur, en we weten het. Dat wil zeggen: de meeste van ons weten het, maar we zijn ons er niet genoeg van bewust. In de net uitgekomen bundel Vrouwen schrijven niet met hun tieten, zet Nikki Dekker de positie van de vrouw in de literaire wereld als volgt neer: ‘Het gaat hier niet alleen over discriminatie (als vrouwelijke schrijvers minder roem krijgen dan mannelijke, krijgen ze ook minder geld en minder kansen) of over de rijkdom van het literaire landschap (als dat maar voor de helft gevuld wordt mis je de helft van alle verbeeldingskracht en kritische ideeën). Nee, het gaat er uiteindelijk om dat het beeld van wat een schrijver vermag nogal beperkt is. Kan een schrijver tieten hebben?’

Het antwoord op die vraag is natuurlijk eenduidig: ja, een schrijver kan tieten hebben. En dat geldt ook voor heel wat mannelijke schrijvers – schrijven is immers een zittend beroep. Het is alleen de vraag wat dat betekent: zou het literaire landschap er anders uit hebben gezien wanneer meer recensenten vrouw waren geweest? En zou de literaire wereld gebaat zijn met meer recensenten met ‘tieten’?

Zowel de Lezeres des Vaderlands, auteur Manon Uphoff, als universitair hoofddocent Moderne Nederlandse letterkunde, Erica van Boven, bogen zich op over deze vragen. De Lezeres des Vaderlands – die wekelijks het aantal vrouwelijke auteurs turft dat in literaire bijlagen wordt besproken, en het aantal vrouwelijke besprekers – vermoedt dat een groter aandeel vrouwelijke critici in de jaren dertig van de vorige eeuw zou hebben geleid tot een ‘vorm of vrouw discussie: een debat tussen uitsluitend vrouwelijke critici en schrijvers.’ Daarnaast zouden volgens haar niet W.F. Hermans, Gerard Reve en Harry Mulisch de Grote Drie vormen, maar Hella Haasse, Anna Blaman en Astrid Roemer. Blaman zou in 1949 bovendien niet door Albert Helman aan een publiek tribunaal zijn onderworpen, ‘zogenaamd omdat ze niet kon goed schrijven, maar in werkelijkheid omdat ze lesbisch was’.

Ook Manon Uphoff schat in dat er anders naar de literatuur gekeken zou worden als er eerder meer vrouwelijke recesenten waren geweest. Er zou oog zijn voor andere literaire thema’s. Hermine de Graaf bijvoorbeeld ‘schreef over knoestige meisjeslevens. Over het huis dat jankt. Over warm moeten zijn maar dat niet kunnen of willen. Over hoe je het huis moet worden voor anderen. Zodat die kunnen vertrekken. Want het huis moet er zijn. Zoveel literatuur over vaders en zonen, over jeugd, opgroeien, zoveel over identiteit, over weggaan, vertrekken, kunstenaar worden, rijpen, over ontwikkelen, de dood, erotiek. En hier was een weerbarstige jankende schrijver die liet zien hoe dat voor vrouwen/meisjes, zeg maar die andere vijftig procent zat. En dat is dan reden voor marginaliteit. Want mannen (en vrouwen) moeten nog leren dat relevant te vinden. Om daar interesse voor te ontwikkelen. Om te voelen of ervaren, te kunnen lezen dat ze daar echt mee te maken hebben.’

Erica van Boven heeft echter haar twijfels of de literatuur er anders uit zou hebben gezien. Ze stelt: ‘De schaarse vrouwelijke critici uit het begin van de twintigste eeuw deelden de gangbare visies op vrouwen en propageerden die soms nog fanatieker dan mannen deden (Jeanne Reyneke van Stuwe, Anna de Savornin Lohman). Het was een vrouw, Annie Romein-Verschoor, die een bepalende rol speelde in de negatieve kijk op de vele vrouwen- en damesromans van haar tijd. Haar strenge oordeel werd door andere critici en literatuurgeschiedschrijvers gretig omarmd en heeft lang doorgewerkt.’

Oestrogeenthriller

Op de vraag of de literatuur er nu anders uit zou zien wanneer er meer vrouwelijke recensenten zouden zijn, antwoordt Van Boven ook ontkennend: ‘De generaliseringen en stereotyperingen van vroeger vind je tegenwoordig nog bij een enkele criticus (Arie Storm) in termen als ‘damesroman’ of ‘oestrogeenthriller’. Het gaat dan meestal om genrefictie (literaire thrillers van vrouwen). Overigens worden romans van vrouwen tegenwoordig naar mijn ervaring individueel en serieus besproken, door mannelijke en vrouwelijke critici. Dat neemt niet weg dat voor iedere beroepsgroep een evenwichtige samenstelling goed is en zeker als het gaat om de literatuur.’ Dat laatste is ook wat De Lezeres en Manon Uphoff willen benadrukken. De Lezeres mailt: ‘Wat in ieder geval van belang is: onbewust wordt in ons onderwijs én in onze cultuur voortdurend het idee bevestigd dat er een ‘vanzelfsprekend’ verband zou zijn tussen kwalitatief hoge kunst en mannelijkheid. Of het nu gaat om academische boeken, literatuurkritieken of de literatuur zelf: degenen die in overgrote mate de pen vasthielden behoorden tot het mannelijke geslacht. De gedachte komt dan al snel op: als vrouwen goed waren, dan had hun schrijven toch ook een prominente plek gekregen? Die situatie zal niet vanzelf veranderen, als een natuurlijke evolutie, maar heeft kritisch denkwerk en bewuste actie nodig.’

Uphoff vreest voor een mausoleum waar je je aan gaat ergeren: ‘Recensenten zijn geen hogere soort. Ver uitstijgend boven vooroordeel of gekleurde blik. Gebrek aan inzicht in of aandacht voor literatuur die door vrouwen is geschreven of die over vrouwen gaat is ook een gebrek aan besef dat je de literatuur daarmee berooft van zicht op de helft van de menselijke ervaring. Het gaat om de bewustwording van die tunnelvisie. Die vernauwing in de blik komt zowel bij mannen als bij vrouwen voor. Het gaat om relevantie. Of wat geschreven wordt door vrouwen eindelijk als relevant gezien kan worden voor de menselijke ervaring, die breder is, vertakter dan we, als we alleen de blankemannen-canon aanhouden, zouden weten.’

Uphoff trekt de lijn overigens door, want niet alleen de man-vrouwverhouding is scheef in de Nederlandse letteren – ze zou sowieso graag meer diversiteit zien: ‘met ruimte voor andere achtergronden, andere milieus/sociale klassen, andere culturen is van levensbelang voor een vitale literatuur, anders zit je met dood gesteente, een hol mausoleum waar alleen beelden van blanke mannen mogen staan tot je je er op een dag zo dood aan ergert dat je er niet meer naar binnen gaat.’

Maar dat zal nog wel even duren. Zolang een titel als Mannen schrijven niet met hun piemel even onwaarschijnlijk als vergezocht klinkt, is het volmaakte evenwicht nog niet bereikt.