Ach, was Karel er nog maar om ons te wijzen op onze denkfouten

‘Als vrijheid van meningsuiting iets betekent, zegt George Orwell, dan is dat: tegen de mensen dingen zeggen die zij niet willen horen.’ Het is een zin uit ‘Kwaken over vrijheid in Staphorst aan de Amstel’, een essay van Karel van het Reve uit 1986. Je kunt het lezen in Karel van het Reve voor beginners, een recente bloemlezing met stukken van zijn hand. Ik wil die bundel aanbevelen bij 1. de Tweede Kamer, 2. alle ontevreden Nederlanders, 3. nieuwkomers, 4. schrijvers van opinieartikelen. Want als er tegenwoordig iets in het gedrang is, dan is dat het vrije woord.

In die leerzame bundel voor bange politici, politiek correcte en verklikkende burgers of boze buitenlui, pleit Karel er ook voor om alle wetten waarin straffen worden gesteld op ‘laster, smaad, nazipropaganda, majesteitsschennis, belediging van een volksgroep, belediging van een bevriend staatshoofd, godslastering, oproep tot muiterij’, af te schaffen. Volgens hem betekent het opvoeren van een toneelstuk waarin antisemitische opmerkingen worden gemaakt namelijk niet dat dit tot een nieuw Auschwitz zal leiden. Ook zou hij het jammer vinden als werk van Shakespeare of Heinrich Heine verboden wordt, omdat het antisemitische passages bevat. En wat te denken van Toergenjev, Céline, Du Perron, Virginia Woolf, Evelyn Waugh, Philip Roth, die zich in hun werk ook niet zo aardig over joden uitlaten? Voordat je het weet, wordt grote kunst dan verboden en krijg je barbaarse toestanden waarin heersers een prijs op het hoofd van verkondiggers van dissidente meningen zetten, zoals Salman Rushdie in 1989 overkwam.

Zelf hou ik niet zo van het gescheld in de columns van Ebru Umar, al is ze, zeker nu, een slijpsteen voor de verwarde geest. Daarom moet ze wel kunnen schrijven wat ze vindt om zo de luie burger, die toch al de neiging heeft zich van de politiek af te wenden, waakzaam te houden. Dat geldt ook voor arabist Maarten Zeegers, die, vermomd als gelovige moslim, een boek schreef over een Haagse migrantenwijk. Daar ontlokte hij een imam de woorden ‘wij moslims hebben een verborgen agenda’. Ook ontdekte hij dat salafisten met eerbied preken over de jihad en nauwe banden met ongelovigen ontmoedigen. Moraalridders beschuldigen Zeegers er nu van onethisch te hebben gehandeld. Onzin, want zonder die vermomming hadden we nooit geweten wat die imam denkt. Toen Günter Wallraff in 1985 als Turk in Duitse bedrijven infiltreerde, om vervolgens een boek over de uitbuiting van gastarbeiders en vreemdelingenhaat te schrijven, kreeg hij vergelijkbare kritiek. Maar achteraf waren we wat blij met zijn bevindingen. Schrijvers zijn nu eenmaal de beste waarnemers van hun tijd. Alleen daarom al had ik Karel met zijn scherpe pen zo graag eens naar een Turks koffiehuis gestuurd.