Voor eens en altijd: wij danken onze welvaart aan kapitalisme

Kapitalisme creëert groei, daarvoor is overdonderend bewijs – in weerwil van alle kritiek. Een vrije markt, eigendomsrechten en een goed functionerende rechtsstaat geven ruim baan aan menselijk kapitaal, betoogt Frank Boll.

Illustratie Pavel Constantin

In de jongste twee eeuwen steeg het wereldinkomen spectaculair: met een factor 119. Met een wereldbevolking van één miljard in 1800 tot ruim zeven miljard vandaag, zorgde dit voor een toename van het wereldinkomen per hoofd met een factor 17. Deze historische records werden vooral mogelijk gemaakt door het kapitalisme, met haar drie hoofdbestanddelen: eigendomsrechten, een rechtstaat en vrije markten.

Sedert de economische liberalisering in China vanaf eind jaren 70 en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie eind jaren 80, werden daarenboven twee miljard mensen uit de absolute armoede getrokken.

Dat zorgde voor een daling in de globale inkomensongelijkheid. Vanuit een wereldstandpunt gezien, deden de middenklassen het zeer goed. Niemand zou dat rond 1800 hebben durven dromen.

De opzienbarende economische ontwikkelingen staan in schril contrast met de eeuwen voor aanvang van het kapitalisme. Voor zelfs maar een verdubbeling van het wereldinkomen waren toen meerdere eeuwen nodig. Bovendien was de volatiliteit van dat inkomen hoog. Cyclussen van stijgende welvaart lokten meestal een bevolkingsaanwas uit, wat uitmondde in verarming en een dalende of stagnerende bevolking, vaak via oorlogen, epidemieën en natuurrampen.

Markten als belangrijkste bron van de grootste welvaart ooit voortgebracht, het is een feit. Maar het bewustzijn daarvan is ver zoek. Daarvan getuigt het huidige economische debat in het Westen. Het succes van het systeem voedt haar critici. Die critici vindt men zowat overal. Enerzijds plukken ze gretig de vruchten van het overdonderende succes van het kapitalisme, anderzijds wordt in een soort masochistische roes continu gezaagd aan de poten ervan. Wie die critici zijn, waarom ze kritisch werden en waar zij hun mosterd halen, is een verhaal apart.

Het succesverhaal van het kapitalisme – althans tot nu – is des te merkwaardiger omdat in de loop der tijd het vrijemarktsysteem nooit op veel bijval of sympathie heeft mogen rekenen. Zelfs niet bij economen die door hun vorming de unieke bijdrage van eigendomsrechten, rechtstaat en vrije markt voor de politieke en economische ontwikkeling van de mensheid, zouden moeten inzien.

Economen gaan niet vrij uit. Sedert de Keynesiaanse revolutie van de jaren 30 concentreren ze zich sterk op de wijze waarop de fiscale, monetaire en regulatieve politiek – telkens meer ervan – verondersteld wordt groei te stimuleren. Maar het overmatige gebruik van staatsuitgaven, belastingen, stimulerende geldpolitiek en marktinterventies, heeft er uiteindelijk alleen maar toe geleid dat die groei in het Westen over de laatste decennia altijd maar verminderde.

De nooit geziene schuldenberg van vandaag is daar het resultaat van. Ondertussen blijven die globale schulden alleen maar toenemen, wat de toekomstige groei nog meer hypothekeert.

Dit alles betekent weliswaar geenszins dat de taken van de overheid onbelangrijk zouden zijn. Integendeel. Een goede en billijke werking van de markt veronderstelt een sterke maar magere overheid die weerstand biedt aan lobbying. Geen overheid als belangrijke directe groei-agent. Wel als architect en garantiegever van een maatschappelijk en juridisch kader waarbinnen groei kan gedijen.

In 2000 stelde de Peruviaanse econoom Hernando de Soto dat ontwikkelingslanden lijden aan te weinig kapitalisme. Of waarom het kapitalisme werkt – of werkte – in het Westen en niet elders. Een reden daarvoor is de afwezigheid van eigendomsrechten. Niet enkel materiële eigendom, maar ook persoonsgebonden eigendom, zoals de zelfbeschikking. Afwezigheid ervan impliceert ondermeer ook een afwezigheid van elementaire financiële diensten voor minderbedeelden.

Een voorbeeld. Velen in arme landen bezitten wel land en een huis, maar dat de facto eigendom is niet formeel genotuleerd via akten en een kadaster. Zo kan dat bezit niet dienen als onderpand voor een lening, bijvoorbeeld om een bedrijf te starten. Even teleurstellend is de afwezigheid in veel ontwikkelingslanden, en ook in een aantal ontwikkelde landen, van een rechtsstaat die naam waardig. Eigendomsrechten moeten worden afgedwongen, en daar is een sterke rechtstaat voor nodig. Als de vrucht van arbeid niet kan worden beschermd tegen willekeur, verdwijnt de prikkel tot arbeid en tot het nemen van initiatief. Dit is nog steeds het geval in grote delen van de wereld. De Arabische lente begon in Tunesië in december 2010 toen een jonge man geen toelating kreeg een handeltje in groenten op te starten.

De economische prestatie van landen hangt daarom in sterke mate samen met het bestaan van goed gedefinieerde en beschermde eigendomsrechten.

Nobelprijswinnaar Solow onderzocht in 1957 wat de groei verklaarde. Hij vond dat land, arbeid en kapitaal maar 20 procent van de groei in de VS kon verklaren. De resterende 80 procent waren toe te schrijven aan ‘de rest’, zoals het maatschappelijk kader, de technologische vooruitgang en de vrije markt. Deze factoren zijn onderling gerelateerd en voeden elkaar. Bij elk ervan staat menselijk kapitaal centraal.

In 1833 kwam Alexis de Tocqueville reeds tot deze 20/80 bevinding van Solow. Hij bezocht Engeland, toen het meest welvarende land ter wereld. Als niet-chauvinistische Fransman kwam hij tot de conclusie dat de sleutel van het Engelse succes bij de Engelsman zelf lag.

De volgende conclusies dringen zich op. Wie niet gelooft in de markt, gelooft niet in de mens. Betuttelende regimes geloven niet in de mens. De historische evidentie dat kapitalisme groei creëert is verpletterend. Dit in tegenstelling tot collectivistische regimes die vooral begaan zijn met de herverdeling van de welvaart, maar uiteindelijk verworden tot verdelers van armoede. Want voor de creatie van welvaart hebben ze geen recept. In het huidige economische debat wordt het kapitalistische kind met het vuile badwater weggegooid.