Verzekeraars lijden verlies op polis

Zorgverzekeraars zijn rijk, maar leggen alle flink geld toe op de basispolis. Hoe lang nog?

Verzekeraars gingen de afgelopen jaren door overheidsbeleid meer risico lopen en wentelden die risico’s deels af op de ziekenhuizen, door het maken van budgetafspraken. Foto Vincent Jannink / ANP

Grote getallen, kleine verdiensten. Zorgverzekeraar Menzis kwam deze week als laatste van de grote vier met zijn jaarresultaten. De 2,25 miljoen verzekerden leverden het concern vorig jaar een inkomstenstroom van 5,57 miljard euro op. En de winst: 4 miljoen euro, een marge van 0,07 procent. Anders gezegd, Menzis verdiende het hele jaar nog geen twee euro op iedere klant die daar een ziektekostenpolis afsloot.

De flinterdunne winstmarge van Menzis blijkt exemplarisch voor de sector. De grootste vier zorgverzekeraars, die samen 90 procent van de markt in handen hebben, behaalden vorig jaar alle vier magere resultaten.

Alleen VGZ, de nummer twee, hield zijn winst redelijk op peil. Die daalde slechts met 4 procent. Bij Achmea zakte het resultaat met ruim eenderde, bij CZ en Menzis smolt de winst volledig weg.

Alle zorgverzekeraars claimen inmiddels dat zij verlies lijden op hun basispolissen. Alleen door meevallers in de beleggingen en door incidentele baten blijven de grootste vier verzekeraars uit de verliezen.

‘Niet-kostendekkend’

Dat de onderliggende resultaten zo verslechteren is een direct gevolg van de keuze van verzekeraars om hun polissen te ‘subsidiëren’: zij gebruiken potjes om de premies niet te veel laten stijgen. Dat kan ook omdat zij rijk zijn: de grote vier hebben allemaal veel meer vermogen dan De Nederlandsche Bank eist. Dit noemt CZ zelf ook expliciet als reden om in 2014, 2015 én 2016 ziektekostenpolissen aan te bieden die „niet-kostendekkend” zijn.

Volgens hoogleraar gezondheidseconomie Erik Schut opereren de verzekeraars in „een glazen huis”. „Er bestaat maatschappelijke druk dat ze niet te veel winst maken of te rijk worden. Daarnaast is de markt transparant: ieder jaar stapt circa 7 procent van de verzekerden over. Dat gaat toch om 1,5 miljoen mensen.” Dat de winsten zo klein zijn, wijst op een scherpe prijsconcurrentie, zegt hij.

Sinds de afschaffing van het ziekenfonds in 2006 was 2013 tot nu toe het absolute topjaar. Toen maakte de topvier een winst van 1,36 miljard euro. Die winst vertegenwoordigde nog altijd een bescheiden percentage van de omzet (3,5 procent), maar het leidde wel tot een verscherpt maatschappelijk debat, omdat de buffers van verzekeraars sinds 2006 enorm groeiden. Potten de verzekeraars niet gemeenschapsgeld op, is de vraag.

Zorgverzekeraars is er veel aan gelegen om niet als winstmachines te boek te staan. Daarom benadrukt Menzis dat het „een coöperatie zonder winstoogmerk” is. Ook VGZ, de nummer twee, afficheert zich de laatste tijd nadrukkelijk als coöperatie. CZ opent zijn jaarverslag over 2015 met de frase dat het een „niet op winst gerichte zorgverzekeraar” is.

Formeel is dat allemaal juist, en het geeft de zorgverzekeraars een vriendelijker uiterlijk in de delicate ‘markt’ van de zorg. Maar dat betekent niet dat hier ook naar gehandeld wordt.

De paniek in de sector was groot toen twee jaar geleden een rechter vaststelde dat zorgverzekeraars zo’n verlengstuk van de overheid zijn dat zij gewoon onder de Europese aanbestedingsregels vallen. Dat zou dus ook gelden voor alle zorg die verzekeraars bij ziekenhuizen inkopen.

Procespartij CZ was er als de kippen bij om in beroep te gaan. De juridische hamvraag was of de zorgverzekeraar voorziet in een behoefte van algemeen belang „die van commerciële aard is”. Als die niet commercieel genoeg is, dreigde CZ (en dus de hele sector) bij haar inkoop met aanbestedingsregels te moeten gaan werken.

De rechter oordeelde in hoger beroep dat de commerciële aard van een organisatie onder meer blijkt uit de aanwezigheid van een winstoogmerk. CZ heeft dat wel degelijk als het gaat om de polissen van Ohra en Delta Lloyd die CZ ook verkoopt, betoogde de verzekeraar. En alle zorgverzekeraars maken winst en streven winst na, was de verdediging van CZ. De zorgverzekeraar wordt bestuurd „op basis van criteria van rendement, doelmatigheid en rentabiliteit”.

De rechter gaf CZ gelijk en vernietigde het eerdere vonnis. CZ heeft dus geen winstoogmerk, maar streeft wel winst na, dat u het weet. En dat geldt dus voor de hele branche.

Verzekeraars gingen de afgelopen jaren door overheidsbeleid meer risico lopen en moesten daardoor hogere buffers aanhouden. Maar zij besloten hierop budgetten af te spreken met bijvoorbeeld ziekenhuizen: die dragen daardoor meer de financiële risico’s dan de verzekeraar.

Gevolg is dat verzekeraars wel tegen een stootje kunnen: zij legden grote buffers aan die zij nu aanspreken door verliesgevende polissen te verkopen. Maar hoe lang kunnen zij dat volhouden? Bestuursvoorzitter Willem van Duin van marktleider Achmea (Zilveren Kruis, FBTO, enz.) waarschuwde eerder dit jaar dat dit geen houdbare situatie is. En het Centraal Planbureau verwacht ondertussen dat de zorguitgaven onverminderd hard blijven stijgen. Het lijkt een kwestie van tijd voordat de premies stevig omhooggaan.