Van Abbe viert jubileum met gebalde vuisten

Tentoonstelling Het Van Abbemuseum bestaat tachtig jaar en viert dat met een tentoonstelling over de jaren tachtig. De tegencultuur is de rode draad die de presentaties verbindt: van feministische kunst tot Black Art.

Het was een van de wonderlijkste kunstenaarsinitiatieven van de jaren tachtig: Laibach. Het IJzeren Gordijn stond nog fier overeind maar in Slovenië, toen nog Joegoslavië, broeide het van artistieke subversiviteit. Diepzwarte rockmuziek speelde het collectief Laibach, dat graag Joegoslavische legeruniformen droeg en Duits als voertaal hanteerde. Toen het in 1982 optrad in Zagreb, mengde het filmbeelden van Tito met porno. En de drummer kwam niet opdagen, waardoor de muziek nog meer metalig en militair klonk dan al het geval was.

Dat vonden de autoriteiten allemaal niet zo leuk. In veel opzichten gedroegen Sloveense kunstenaarsinitiatieven zich braaf pro-communistisch, maar ze deden dat zó overenthousiast totalitair dat ze de machthebbers toch in verlegenheid brachten. Zo mixte Laibach graag communistische en totalitaire symbolen tot één swingende zwarte massa van zwarte kruisen en arbeiderstrots, wat het communisme ietwat fascistische randjes gaf.

‘Was ist Kunst’ heet een installatie van het eveneens Sloveense collectief Irwin, dat die vraag beantwoordde met opnieuw veel kruizen, jachttrofeeën, en beeltenissen van naziarchitect Speer. Het kunstwerk heeft dezelfde repressieve look and feel als Laibachs tourneeposter ‘The Occupied Europe Tour’ uit 1983. Als alles heilig is, is niets meer heilig.

Drie zalen van dit soort staalharde Sloveense anti-kunst, want dat was het natuurlijk toch, maken deel uit van een tentoonstelling over de jaren tachtig in het Van Abbemuseum, dat hiermee viert dat het zelf tachtig jaar bestaat. Het besloot zijn verjaardagsfeestje te versieren met archiefbeelden van Amsterdamse krakersrellen, met ME en tanks, via feminisme (‘Society for Cutting Up Men’) naar Black Art-bewegingen in Londen. Sommige zalen bevatten wisselexposities, allemaal hebben ze gebalde vuisten. Nietsvermoedende museumbezoekers die hopen op een eightiesrevival met glamrock en haarlak, komen bedrogen uit. Alhoewel, misschien is daar een glimp van te zien in de zaal met videokunst. Are you Afraid of Video? heet de installatie van Servaas waar een vrouw zit te zappen langs porno, rellen, Rocky, oorlog en o, daar is de reclame alweer. Wasmiddelen.

Tegencultuur

Het nieuwe medium videokunst was ook geliefd bij feministen, bij Lydia Schouten die actiehelden en filmsterren nadoet, overdrijft, faalt, zo de macho filmcultuur ridiculiserend. Tegencultuur is een rode draad in dit overzicht dat

natuurlijk niet dé jaren tachtig is, anders waren we daar nooit doorheen gekomen. Het is één jaren tachtig, als dat niet zo raar had geklonken.

Dat er meer kanten zijn, bewijst nota bene het Van Abbe zelf. In de nieuwe vleugel toont het kunst die het museum in de jaren tachtig toonde en aankocht: architectonische constructies van Harald Klingelhöller, vierkante potloodtekeningen van Lesley Foxcroft, veel abstracties. Wat een wereld van verschil.

Nee, De jaren 80 – Begin van het nu? kenmerkt juist het huidige Van Abbebeleid: via kunst een verhaal over een tijdperk vertellen. En daar spreekt in dit geval een enorme power uit. Waar bovendien, gek genoeg, de verschillende hoofdstukken bij elkaar passen door een overlappende tactiek: het citeren en zo bekritiseren van de tegenpartij. Feministen bespotten machismo, videokunstenaars vervlakken mediabeelden, de Black Art-beweging plakt koloniale foto’s naast politici van nu, en de Slovenen hijsen potsierlijke slogans op.

Dat laatste doen ze nog. Vorig jaar trad Laibach als eerste westerse rockband op in Noord-Korea met een mix van eigen nummers en The Sound of Music – hilarisch, maar de Sloveense filosoof Slavoj Žižek heeft The Sound of Music als heimelijk fascistische film gekarakteriseerd. Putting the fun back into fundamentalism zou je kunnen zeggen, ware het niet dat zulke anti-kunst complex in elkaar steekt. Het doet denken aan infiltranten van recenter datum, zoals Renzo Martens en Jonas Staal die de armoede-industrie en oppervlakkigheid van het populisme ontmaskerden.

Zo’n bruggetje naar nu slaat de tentoonstelling zelf niet, alleen de titel met vraagteken hint ernaar. De jaren tachtig een beginpunt van onze tijd? Kan best. Al kun je over andere decennia hetzelfde beweren. Deze boze jaren tachtig komen voort uit de activistische jaren zeventig met op hun beurt wortels in mei 1968. Toen al begonnen kunstenaars vanuit collagetechnieken te citeren en beelden van de tegenpartij af te pakken om te gebruiken tegen die vijand – het systeem, de politiek, de staat. Mocht dat erg militant klinken, kijk dan maar eens rond in deze tentoonstelling: rookbommen alom.

Vuisten en wapens

Protestkunst bloeide ook in Londen, de gewezen hoofdstad van het Britse keizerrijk. Dat trok veel activistische kunstenaars uit Afrika en Azië die in de Londense kunstwereld podia vonden voor antiracisme en black awareness. Ook deze kunstenaars zetten hun boodschap bij door te citeren, zoals Sonia Boyce die de Britse Arts & Crafts-tradities corrigeert door stoffen van William Morris te bedekken met haar eigen donkere gezicht. Of het modernisme dat Rasheed Araeen uit Pakistan aanhaalt in zijn Green Painting, niet heel groen want gevuld met bloed. De African Icons van Eddie Chambers uit 1987 ernaast zijn driedimensionale pamfletten, vuisten en wapens op het doek geplakt. Directer kan niet.

Maar tussen zoveel uitroeptekenkunst was ook ruimte voor poëzie. De in Beiroet geboren Mona Hatoum voerde in 1985 in Brixton een performance uit op straat, blootsvoets rondschuifelend. Aan haar enkels had ze dr. Martens-schoenen gebonden die doorgaans door skinheads, punks en de politie werden gedragen. Haar performancevideo ziet er ingetogen uit, kwetsbaar, en in deze omgeving is die onmacht betekenisvol. Want even is er iets kleins te zien. Even dan. Want een hoek verder zien we weer rellen in Londen, politie, wapens en meer. Het zou nog lang onrustig blijven in de jaren tachtig.