Column

Inburgeren hoeft niet, met dank aan Europa

Schrikbarend, alarmerend. Met deze woorden reageerden politici vorige week op het nieuws dat maar weinig migranten hun inburgeringsexamen halen. Sinds 2013 slaagden slechts 6.000 van de 53.000 inburgeraars.

Het Kamerdebat over deze cijfers draaide onder meer om de vraag wanneer de eerste niet-ingeburgerde labbekak wordt uitgezet. In 2013 is de Wet inburgering zo aangepast dat wie zijn inburgeringsexamen niet haalt, zijn verblijfsvergunning kan verliezen. CDA, PVV en VNL vroegen de coalitiepartijen hoe het ervoor stond: voert het kabinet zijn eigen beleid wel uit?

Vooral Malik Azmani (VVD), bekend om zijn harde opstelling in het asieldebat, werd kritisch ondervraagd. Hij draaide om de zaak heen door te stellen dat er heus wel ‘verblijfsrechtelijke consequenties’ zijn verbonden aan het niet halen van het examen: een migrant verspeelt dan zijn recht op permanent verblijf. Maar dit is natuurlijk iets anders dan teruggestuurd worden: dát was de nieuwe sanctie in de wet van 2013.

Het toch best relevante feitje dat de meeste inburgeraars vanwege internationale wetgeving niet kunnen worden teruggestuurd, bleef in dit Kamerdebat onderbelicht. Inburgeringsexamens zijn er voor twee groepen: asielmigranten en gezinsmigranten. Mensen met een vluchtelingenstatus mag je niet uitzetten, en het terugsturen van gezinsmigranten is in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens én de Gezinsherenigingsrichtlijn van de EU. „Iedereen in migratierechtelijk Nederland is ervan overtuigd dat terugsturen in die gevallen juridisch niet kan”, aldus hoogleraar migratierecht Betty de Hart.

Deze obstakels waren bekend toen de wet werd gemaakt: de Eerste Kamer ondervroeg toenmalig minister Gerd Leers er kritisch over. PvdA, D66 en PVV vreesden dat de nieuwe verblijfsrechtelijke consequenties alleen symbolisch zouden zijn. De Raad van State waarschuwde dat de sanctie onuitvoerbaar was.

Dat blijkt ook uit de praktijk elders. Jurist en filosoof Tamar de Waal vertelt me dat in Oostenrijk, waar sinds 2003 dezelfde sanctie bestaat, één persoon vanwege deze regel het land heeft verlaten. Kortom: regeringen kunnen van alles willen, maar ze zijn niet de enige die erover gaan.

Dat zien we ook bij de discussie over Turkse Nederlanders die vinden dat je Erdogan niet mag beledigen. ‘De inburgering van Turkse Nederlanders is mislukt’, hoor je nu overal. Maar met dank aan Europese wetgeving hoeven Turken in Nederland niet meer in te burgeren. In 2011 oordeelde de Centrale Raad van Beroep – tot ergernis van de politiek – dat een inburgeringsplicht voor Turken strijdig is met het associatieverdrag dat de Europese Unie met Turkije heeft.

Over deze spanning tussen internationaal recht en nationale wetgeving gaat het weinig in het inburgeringsdebat. Het is voor een politicus natuurlijk niet leuk om toe te geven dat soms niet Nederland, maar dat vervelende Europa het laatste woord heeft.