‘Ik bevind me weer in de frontlinie’

Rob Scholte laat na een lange periode van mediastilte weer van zich horen. In Den Helder strijdt hij voor zijn museum. En in Zwolle opent hij een nieuwe expositie.

Foto: Merlijn Doomernik

Op het dak van het Rob Scholte Museum in Den Helder wappert fier een knalrode vlag met daarop de krasse hanenpoten van Rob Scholtes handtekening. De vlag lijkt een statement: ‘We zijn er nog.’

Binnen, in de studio van de kunstenaar, staan ruim 950 in bubbeltjesplastic ingepakte borduurwerken klaar voor transport. Ze zijn de afgelopen jaren door Scholte verzameld, omgedraaid, ingelijst en gesigneerd. Ze staan nu klaar voor transport naar Museum de Fundatie in Zwolle, waar 28 april Rob Scholte's Embroidery Show opent. „De kunstpraktijk gaat gewoon door”, zegt Rob Scholte. Ondanks zijn strijd met de gemeente, bedoelt hij.

Al sinds de oprichting in 2013 ligt kunstenaar Rob Scholte, naamgever en oprichter van het museum, in de clinch met het gemeentebestuur over de toekomst van het gebouw.

Er waren plannen voor een nieuw gemeentehuis op dezelfde plaats – volgens de kunstenaar een megalomaan „Amsterdamse Stopera-achtig” project. Dat plan lijkt nu voorlopig van de baan; het museum kreeg zelfs toestemming om uit te breiden in hetzelfde gebouw.

Ik heb het gevoel dat Den Helder behoefte heeft aan dit museum

Maar nu weigert volgens Scholte de gemeente mee te werken aan het vinden van vervangende ruimte voor de huurders die tussen de twee vleugels van het museum in verblijven. „We hebben veel geïnvesteerd in die nieuwe ruimte, maar de bezoekers kunnen er niet bij omdat ertussenin de kampeerspullen van andere huurders staan”, verzucht hij. De ruimte onder zijn studio is volledig gerenoveerd en klaar om ingericht te worden voor exposities, maar staat nu leeg. „Door wanbeleid zorgt de gemeente Den Helder zelf voor leegstand. En dat is er hier al zoveel.”

Ondanks de door hem ervaren weerwil van de gemeente is Scholte niet van plan Den Helder te verlaten en het met zijn museum elders te proberen. Daarvoor is hij veel te gelukkig weer een eigen plek in Nederland te hebben, het land dat hij in 1995 verliet na een nog altijd onopgehelderde bomaanslag - waarbij een granaat ontplofte onder zijn auto.

In 2003 keerde hij terug naar Nederland. „Ik heb me met bommen en granaten uit Nederland laten verjagen, ik ga me nu niet meer door een paar ambtenaren laten wegsturen. Daarnaast heb ik het gevoel dat Den Helder behoefte heeft aan dit museum.”

De strijd rondom het museum was voor Scholte in het voorjaar van 2014 reden om na een periode van bijna veertien jaar mediastilte weer de aandacht van de media op te zoeken. „Ik zette mijn bekendheid in als middel om het museum te kunnen behouden”, verklaart Scholte.

Waarom koos u ervoor om zo lang het contact met de media te mijden?

„Op een gegeven moment gaan mensen je werk alleen nog maar zien in het kader van je mediapersoonlijkheid. Bij mij ging het op een gegeven moment alleen nog maar over de aanslag. Dat de persoonlijkheid het werk kan overstemmen zag je ook bij een kunstenaar als Joseph Beuys. Als je dan dood gaat gebeuren er hele rare dingen. Nu Beuys er niet meer is, kijken mensen heel anders naar zijn werk. Ik hoop dat dit bij mijn werk anders is.

Maar op sommige momenten komt de bekendheid als persoon me wel goed uit, zo kan ik de media voor mijn eigen doelen inzetten. Zoals nu voor de tentoonstelling in De Fundatie. Dat was in de tijd dat ik geen interviews deed wel lastiger, galeries en musea vinden het natuurlijk niet fijn als je geen promotie-interviews doet.”

Door expliciet in een interview te zeggen dat het u om de pr te doen is, doorbreekt u eigenlijk het ‘pact’ tussen interviewer en geïnterviewde. U toont de achterkant van het gesprek dat wij hebben.

„Dat klopt. Maar dat pact daar heb ik eigenlijk sinds de aanslag geen boodschap meer aan. Toen heb ik aan den lijve ondervonden hoe de media manipuleren: door mij verdacht te maken. Ik ben kritisch over de journalistiek. Volgens mij is de pers gelijkgeschakeld, waarbij amusement en een bepaald politiek belang voorop staat. Er wordt onvoldoende goed onderzoek gedaan. Ik bedoel, 9/11 is volgens het officiële verhaal nog steeds gedaan door een paar eenzame holbewoners met een stanleymes.”

Van uw strijd met de gemeente doet u uitgebreid verslag op internet, gaat het te ver om die strijd te zien als een kunstproject?

„Ik vind dat helemaal niet te ver gaan. Ik zie mijn gebruik van sociale media als integraal onderdeel van mijn kunst. Ik bevind me weer in een frontlinie, dat is waar ik het liefste ben. De thema’s die in de strijd rondom het museum naar voren komen, zitten al jaren in mijn werk: ik ben altijd bezig met de betekenis van copyright, en het ‘mijn en dijn’. Er is verwantschap tussen leegstand door wanbeleid van de gemeente en een te streng auteursrecht dat bijvoorbeeld kennisdeling op de universiteit tegengaat. Soms staat een te strenge definitie van bezit ontwikkeling in de weg.

Als kunstenaar kan ik daar mee spelen. Ik gebruik mijn positie om dingen die niet meer gezien worden opnieuw onder de aandacht te brengen. De borduurwerkjes die straks in Zwolle aan de muur hangen, liggen bij de kringloopwinkel voor amper een euro en dan worden ze nog niet verkocht. Als ik ze signeer wordt er opnieuw naar gekeken. Ze zijn ook ineens het veelvoudige waard, maar daar gaat het me niet om, ik wil vooral behouden dat ze verdwijnen.”

U draait de borduurwerken om. Wat wilt u dat we daar zien?

„De onvoorstelbare schoonheid. De liefdevolle aandacht die iemand erin heeft gestoken. Je moet je voorstellen, er hangen straks 950 van deze werken aan de muur in de Fundatie. Het is geen vreemde schatting dat er minstens een jaar aan ieder borduursel gewerkt is: opgeteld hangt er dus straks zo’n 950 jaar aan opgebouwde energie aan de muur. Het is de erkenning van al die arbeid. De voorkant is gewoon ‘netjes’, de achterkant toont het karakter en de gestolde menselijke energie.

Wat je eigenlijk ziet, zijn lijnen die geen enkele esthetische grond hebben: puur uit zuinigheid zijn ze soms heel strak afgeknoopt; of iemand was juist te lui om af te knopen en trekt een draad diagonaal over de hele achterkant om ergens anders verder te gaan.”

Vind u het niet vreemd dat in deze werken uw hand als kunstenaar bijna geheel ontbreekt? U wijst alleen aan wat anderen hebben gemaakt.

„Dat is precies het probleem met de huidige kunstopvatting: we zien de kunstenaar als een uniek genie, liefst iemand zoals Van Gogh bij wie de genialiteit tot waanzin dreef. We gaan daar zelfs zo ver in door dat we andere verhalen over zijn dood dan de zelfmoord het liefst verdringen. Maar de status van kunstenaar als autonoom scheppend individu is een fabeltje: kunstenaars zijn eerder net wetenschappers, ze werken aan een gezamenlijk project. Dan is het volkomen logisch dat je elementen van elkaar overneemt.”