‘Het orkest is te goed om te stoppen’

Interview Sieuwert Verster Sinds het overlijden van Frans Brüggen staat Sieuwert Verster aan het roer van het Orkest van de Achttiende Eeuw.

Sieuwert Verster, directeur Orkest van de Achttiende Eeuw Foto David van Dam

Sieuwert Verster (62) wil dat het nu maar eens voor iedereen duidelijk is. Zijn Orkest van de Achttiende Eeuw gaat door. „Voor onbepaalde tijd. We zien wel hoe lang”, zegt de orkestdirecteur. „Onze rol is echt nog niet uitgespeeld.”

Sinds de zomer van 2014 krijgt Verster de vraag: heffen jullie je nu op? Hij had het vaak gezegd: als dirigent en oprichter Frans Brüggen overlijdt, gaat het orkest uit elkaar – The Beatles kunnen ook niet bestaan zonder John Lennon. „Het is zo’n kreet die iedereen echoot. Als Frans ons zoals Prince onverwachts ontvallen was, was er inderdaad kans dat we die uitspraak hadden waargemaakt.”

In de documentaire Twee mannen en een orkest uit 2010 (de twee mannen zijn Brüggen en Verster) zeggen de orkestleden nog duidelijk: is Brüggen er niet meer, dan is het klaar. „Dat was juist het moment waarop we aan die beslissing gingen twijfelen. Voorheen geloofden we nog in onze oneindigheid. Toen hij zwakker werd, hebben we veel over de toekomst gesproken. Al voor Frans’ dood hadden we de knoop doorgehakt om door te gaan. Het orkest was te goed om ermee op te houden. Dat vond Frans ook.”

Toch sloeg de twijfel toe toen de oudemuziekpionier op 13 augustus 2014 overleed. Sommige orkestleden wilden alsnog stoppen. Verster overtuigde hen te blijven. „We hebben nu unaniem besloten: we bestaan. Natuurlijk zijn we nog inverdrietig om de dood van onze vriend, maar inmiddels overheerst de vreugde over het voortbestaan.”

Wie de recensies leest, mag concluderen dat het goed gaat. „Op deze manier kan het Orkest van de Achttiende Eeuw nog heel lang mee”, schreef NRC in februari over een concert onder leiding van Isabelle Faust. Maar voor de fans blijft het een vreemd gezicht, zonder Brüggen.

We zoeken niet naar een opvolger van Frans. Die vind je niet

Samenwerkingen met gastdirigenten waren zeldzaam. Het werkte met Simon Rattle, Gustav Leonhardt, Roger Norrington, Thomas Zehetmair, Kent Nagano – niet de minsten. Toch waren de allianties zelden zo succesvol als met Brüggen, die vanwege zijn soms ondoorgrondelijke handgebaren vaak een tovenaar werd genoemd – iedereen vroeg zich af hoe hij dat nou deed, hoe hij die kenmerkende gloedvolle, bruisende klank uit het orkest kreeg. Dat in de laatste jaren toch vaak gastdirigenten optraden, had te maken met Brüggens zwakke gezondheid.

Voorlopig gaat het orkest werken met vijf gastdirigenten per jaar. De musici (50 uit 23 landen) vormen een maatschap, waarin alle leden evenveel betaald krijgen. Op iedere tournee (gemiddeld vijf per jaar) wordt een vergadering belegd over artistieke zaken. Verster: „We zoeken niet naar een opvolger van Frans. Die vind je niet. Hij heeft ons gemaakt, wij hebben hem gemaakt: het zou oneerlijk zijn een kandidaat via dezelfde maatstaven te beoordelen. We hopen dat er een poule ontstaat van mensen met wie wij ons plezierig voelen. Het is niet de bedoeling dat we een dwangmatige vreemdganger worden die steeds opnieuw iemand moet veroveren. Waar we voor op onze hoede moeten zijn, is dat we het verleden verheerlijken. Het was mooi die Eroica met die en die, maar zo goed als met Frans wordt het nooit. Om dat te voorkomen, proberen we ook niet alleen nieuwe steden en landen, maar ook voor ons nieuw repertoire aan te doen. Er zijn genoeg meesterwerken die we nog nooit hebben gespeeld.”

Händel

„Beethovens Missa Solemnis, die heeft Frans nooit gedaan. We gaan meer opera doen, daar was Frans gewoon niet zo goed in. Hij was ook niet dol op Händel, om het beleefd uit te drukken. Dat Händel zo’n slechte componist is, daar ben ik het inmiddels niet meer mee eens. Vroeger wel natuurlijk. Frans was mijn leidsman, mijn muzikale geweten.”

Volgens Verster komt er ook een nieuw stuk, en wel van Louis Andriessen, die al voor de blokfluitvirtuoos Brüggen schreef, zijn carrière voor hij in 1981 met Verster en violiste Lucy van Dael het Orkest van de Achttiende Eeuw oprichtte. Het staat gepland voor het Holland Festival 2019, zegt Verster. Het is bijzonder, omdat Andriessen zelden voor symfonieorkest schrijft: zijn Mysteriën (2013), gecomponeerd voor het Concertgebouworkest, was een van de zeldzame orkeststukken. Bovendien verliep die samenwerking niet naar Andriessens zin. „Dit wordt een werk voor koor en orkest”, zegt Verster. „Een requiem voor Frans misschien, dat is nog niet helemaal duidelijk. We dragen het in ieder geval aan hem op.”

Dierbare plek

Het orkest is deze week in Den Haag, op het Koninklijk Conservatorium. De bakstenen Arnold Schönbergzaal is misschien niet de mooiste, het is wel een dierbare plek voor het Orkest van de Achttiende Eeuw. Brüggen gaf er zijn laatste concert. Vanuit een rolstoel, met een slangetje in zijn neus. Toch lukte het hem nog, in mei 2014, om een suite uit Jean-Philippe Rameaus opera Les indes galantes te dirigeren. Het orkest was aangevuld met studenten van het conservatorium en dat is het nu ook. Achter iedere lessenaar zit zowel een ‘gewoon’ orkestlid als een student. Ze spelen Mozarts Parijse symfonie.

„We worden oud”, zegt Verster. „De meeste leden lopen al tegen de zestig. Bij ons is het niet: je bent 65, dus helaas. De helft van deze mensen is er al vanaf het begin bij. Die trouw aan elkaar is een van onze krachten. Dwangmatige verjonging, daar zetten we ons tegen af. Maar we willen ook graag wat doorgeven.”

Op de bok staat John Butt, dirigent, organist en musicoloog. Een geleerd musicus, maar in de verste verte geen Brüggen. Hij praat veel tijdens de repetitie. Hoge stem. In een recordtempo vuurt hij aanwijzingen op het orkest af. De sfeer is goed.

Ons orkest is een familie

Sieuwert Verster (‘Sieuw’ voor intimi) neemt plaats naast de hoornisten, alsof hij erop toeziet dat de klankcultuur wordt bewaakt. Hij inspecteert het orkest, loopt af en toe weg om een afwezig orkestlid te bellen. Het Orkest van de Achttiende Eeuw doet nu vijf korte tournees per jaar, in het begin waren het twee of drie langere tournees. Verster regelt bijna alles zelf – hij heeft maar één medewerker die hem bijstaat. „Parttime hè!”, zegt hij niet zonder trots.

Zijn bezigheden beperkten zich niet tot het organiseren van tournees. Altijd stond hij naast het podium om de dirigent te helpen, om hem naar het podium te begeleiden. Ze zagen elkaar bijna elke dag. „Nu voel ik me weleens eenzaam. Dan sta ik daar backstage, en denk ik: o, o, o wat mis ik hem.

„Ons orkest is een familie, en toch zie je dat in die familie de rouw bij iedereen anders verloopt. Sommigen zijn er wel overheen. Ik zie het zo: als je zo lang intensief samen bent geweest, is er toch een soort kwaliteit die blijft. Ik wil niet zweverig klinken, ik heb geen lijntje met Frans of zo, maar zijn invloed is nog wel aanwezig, bij elke beslissing die ik moet nemen. Als een morele standaard.”