Column

Schande

De trein stond in Utrecht op het punt naar Amsterdam te vertrekken toen een magere oude vrouw tegenover mij kwam zitten, nadat ze zich moeizaam van haar jas had ontdaan. „Ik zal blij zijn als ik thuis ben”, zei ze – de eerste woorden die ze in haar lange leven tot mij richtte.

Ik begreep dat ze iets kwijt wilde en zette me geestelijk schrap, terwijl ik haar vragend aankeek.

„Ik hoop zoiets nooit meer mee te maken”, zei ze.

„Was het zo erg?”, vroeg ik.

„Het was naar, heel naar”, knikte ze. Toen barstte ze los in een vloedgolf van zelfbeklag en verwijt, die ik gelaten over me heen liet komen alsof ik daartoe door de NS was aangesteld. Terzijde: zou dat geen aardig idee zijn voor de NS, een treinpsycholoog die luisterend rondgaat? Hij zou werk genoeg hebben met al die storingen en gebrek aan zitplaatsen.

„Op de heenweg was er nog niets aan de hand”, zei ze. „Ik moest naar een bruiloft van een neefje van wie ik de peettante ben. Zegt u dat wat, peetoom, peettante? Het is een vooral rooms gebruik, je houdt een kind ten doop.”

Ik knikte vaag, terwijl ik me afvroeg waarom ik het nooit zover had gebracht. Had mijn heidense reputatie me in de familie parten gespeeld? Terecht eigenlijk. Ik heb het ook nooit diep betreurd, want het leek me niet erg aanlokkelijk, zo’n bibberend, huilend kindje vasthouden.

„Het was een leuke dag”, vervolgde ze, „pas laat in de middag reisde ik terug. Maar in Den Bosch ging het fout. Er reden om een of andere onduidelijke reden opeens geen treinen meer naar Utrecht. We moesten uitstappen en met de bus verder. Nu is dat nog geen ramp, al blijft het altijd vervelend als je net lekker zit te lezen of te praten. Het haalt je uit je reisritme.”

Mooi, nieuw woord, dacht ik, maar ik wilde dat niet zeggen uit vrees dat ik haar uit haar ratelritme zou halen.

„Onderweg naar de bussen”, vertelde ze, „werd ik opeens staande gehouden door een keurige man van een jaar of veertig, vijftig, die mij vriendelijk vroeg of de bus ook naar Amsterdam zou gaan. Nee, zei ik, hij gaat alleen naar Utrecht en daar moet u overstappen naar Amsterdam, zo doe ik het zelf ook. Hij knikte en vroeg of ik het wel zeker wist. Ik antwoordde hem dat het in mijn trein was omgeroepen. Hij bedankte me en verdween tussen de mensen, met een vrouw die naast hem kwam lopen.

„Goed, ik neem die bus naar Utrecht en na aankomst daar maak ik mijn tas open om iets te pakken. En dan zie ik het pas: mijn portemonnee weg. Ik zoek eerst nog op de grond, maar terwijl ik me voorover buig schiet door me heen: ik ben gerold. Voor het eerst van mijn leven. Door die man en die vrouw. De een leidde me af, de ander sloeg toe.

„Ze moeten goed op me gelet hebben. Ik was een beetje nerveus, ik reisde alleen, omdat mijn man vandaag niet mee kon en ik heb vermoedelijk mijn tas laten openstaan. Alles was ik kwijt: 150 euro, mijn identiteitsbewijs, mijn bankpasje. Ik was helemaal van slag en schoot een conducteur aan. Hij hielp me door meteen de bank op te bellen om mijn pasje te blokkeren.”

Ze keek me aan, nog steeds geschokt. „Is het geen schande?”, vroeg ze. Ik knikte. „Ik heb weleens gelezen dat iemand bij wie ingebroken was zich daarna vies voelde”, zei ze, „nou, zo voel ik me nu ook.”