Column

Majesteitsschennis is een achterhaald wetsartikel en kan beter worden geschrapt

Koningsdag in plaats van Koninginnedag is nog altijd de meest zichtbare verandering van de Oranjedynastie sinds Willem-Alexander op 30 april 2013 de taak van staatshoofd overnam van zijn moeder. Dat alleen al is een goed teken. Er zijn genoeg voorbeelden van generatiewisselingen met ingrijpender en funester gevolgen. Maar als koning Willem-Alexander de voorbije drie jaar iets heeft uitgestraald dan is het wel continuïteit.

De koning was er wanneer hij er moest zijn, niet meer en niet minder. Bescheiden aanwezig; het is de meest verstandige positie voor iemand aan het hoofd van een door bloedband bepaald instituut dat als het niet al had bestaan, door weinigen nu nog als ideale staatsvorm zou zijn ingevoerd. Waar zijn overgrootmoeder Wilhelmina bij haar aantreden in 1898 het koningschap nog een „hoge roeping” noemde, lijkt Willem-Alexander het vooral als een taak te beschouwen.

Een taak met als voornaamste opdracht verbindingen leggen, verbanden signaleren en uitdragen wat Nederlanders verenigt, zoals hij bij zijn aantreden in 2013 tegen de leden van de Staten-Generaal zei. Hij heeft zich er strikt aan gehouden. Of hij in die taak is geslaagd is een andere zaak. Drie jaar geleden sprak hij de intentie uit het „wederkerig vertrouwen tussen burgers en hun overheid te verstevigen”. Getuige de stemming in het land – zie bijvoorbeeld de uitslag van het Oekraïne-referendum – is dat niet gelukt. Maar dat valt Willem-Alexander moeilijk aan te rekenen.

Eigentijdse democratie vergt een ingekapseld koningschap. Met als gevolg een weinig benijdenswaardig bestaan voor degene die met de uitvoering van de niet zelfgekozen functie is belast. De koning wordt geleefd en dient zich daarnaar te gedragen. Daarnaast wordt de koning volop en openlijk beoordeeld. Iets waarbij hij zich heeft neer te leggen, want zich verdedigen kan hij niet.

Als compensatie bestaan de artikelen 111 en 112 van het Wetboek van Strafrecht met het verbod op het opzettelijk beledigen van het staatshoofd. De gedachte achter deze majesteitsschennisartikelen was ooit dat het in het belang van de Staat is dat de koning op een grotere mate van bescherming moet kunnen rekenen.

Maar beide artikelen botsen met de in de Grondwet verankerde vrijheid van meningsuiting. Het is lang niet altijd even smaakvol wat er over de koning wordt opgemerkt, maar dat rechtvaardigt nog niet bij voorbaat een verbod.

Een initiatief uit de Tweede Kamer om majesteitsschennisartikelen te schrappen verdient dan ook steun. De stabiele monarchie die Willem-Alexander voortzet, moet tegen een stootje kunnen.