Ik wil nog profiteren van het leven

Sinds drie maanden is hij weer thuis. De trainer die in Duitsland der Harter Hund werd genoemd, heeft het vuur in hemzelf laten doven. Hartritmestoornissen.

Huub Stevens droeg altijd een trainingspak: „Omdat ik één met de jongens wilde zijn.” Foto: Frank Ruiter

Thuis in Eindhoven heeft Huub Stevens een eigen mannenkamer. Het is een serre met een grote tafel, een bar, Beegees-memorabilia aan de muur en een grote tv waarop hij voetbal kijkt – al het voetbal. In de woonkamer staat ook een televisie, maar die behoort tot het domein van zijn vrouw. „Als ik 500 kilometer verderop zat, was zij gewoon hier. Nu moet ze weer in het ritme komen van het feit dat ik er ook ben. Soms zit ik bij haar, maar ja, elke avond is er wel voetbal.”

Sinds drie maanden is hij weer thuis. De trainer die in Duitsland der Feuerwehrmann werd genoemd nadat hij meerdere clubs heeft behoed voor degradatie, heeft het vuur in hemzelf laten doven. Hartritmestoornissen. Niet direct zorgwekkend, wel te risicovol om actief te blijven in een vak dat garant staat voor stress.

„Als je 40 bent, ga je hier makkelijker mee om. Maar ben je 62, dan ben je normaal gesproken dik over de helft. Ik wil het risico niet aangaan. Zeker niet in een vergelijkbare situatie als die van de afgelopen jaren. Zo’n degradatiestrijd is stressvol en vraagt 120 procent van een trainer. Juist dan loop ik meer risico met mijn hart, en dat wil ik niet. Ik verkeer nu in een levensfase waarin ik nog wil profiteren van het leven.”

In zijn naaste omgeving heeft Stevens gezien dat garantie op een onbezorgde oude dag niet bestaat. Plots kan vergankelijkheid zich aandienen. Hij vertelt over zijn vriend Rudi Assauer, de voormalige directeur van Schalke 04 die Stevens naar Gelsenkirchen haalde. De 71-jarige Assauer was altijd een persoonlijkheid. Een slimme directeur die de kunst verstond om te praten met een sigaar in zijn mond. Maar door Alzheimer is Assauer nu een vreemdeling in eigen leven.

UEFA Cup

„Toen hij hier laatst was, bleef hij verward in de deuropening staan. Ik meende een twinkeling in zijn ogen te zien toen ik hem een hand gaf, maar hij praat niet en herinnert zich niks. Ik hoop maar dat het waar is wat ze zeggen: dat die mensen er zelf geen last van hebben. Weet je wat het ergste is? Dat ik bij Schalke wegging omdat hij bepaalde zaken vergat. Drink niet zoveel, zei ik dan, schrijf eens wat op. Later viel het kwartje.”

Op tafel ligt een foto van hem en Assauer, genomen op 21 mei 1997. Assauer met sigaar, Stevens met de grootste trofee uit zijn carrière: de UEFA Cup. Toen al was het volkomen duidelijk: mijnwerkerszoon Stevens paste perfect in arbeidersbolwerk Gelsenkirchen, stad van steenkool en fabrieken.

Stevens had er oog voor die achterban. Geregeld nam hij zijn spelers mee de mijnen in om hen duidelijk te maken hoe bevoorrecht zij waren ten opzichte van hun fans. Diep onder de grond stuitten ze op een briefje aan de muur: kaartje gezocht voor Schalke-Borussia Dortmund. „Voetbal was zo belangrijk voor die mensen. Ik wilde dat de spelers dat begrepen.”

„Net als voetballers hadden die mijnwerkers nooit een gewone dag. Als je zag wat zij aan teamwork moesten doen om veilig boven te komen, dat is ongelooflijk. Jammer genoeg is er in Nederland een situatie ontstaan waarbij spelers het teambelang niet meer zien.”

Hier raakt Stevens misschien wel het wezenskenmerk van de trainer die hij was. Hij hamerde op eenheidsvorming, op verantwoordelijkheidsgevoel. Zelf kreeg hij dat van huis mee. Nadat zijn vader was verongelukt toen hij 17 was, nam hij als kostwinner de zorg voor twee nakomelingen op zich, van 4 en 6 jaar. Zijn twee oudere broers waren het huis al uit.

Zo ontstond de basis voor zijn credo: één voor allen, allen voor één. Dus vraag waarom hij altijd een trainingspak droeg en Stevens zegt: „Omdat ik één met de jongens wilde zijn.”

Vanzelf ging dat niet. Stevens verhaalt over een trainingskamp met Roda JC in Spanje. „De laatste avond mochten ze van mij op stap. Staat uren later de aanvoerder voor mijn deur om te zeggen dat ze problemen hebben gehad. Was iedereen terug? Nou, ga maar slapen, zei ik. Klopt er daarna weer iemand op mijn deur. Politie. Mijn spelers problemen? Dat kan niet, zei ik. Ze liggen al heel de nacht op bed. Wij zijn een voetbalclub en gaan morgen naar huis. De dag erna heb ik ze op hun donder gegeven bij het leven, maar ik heb ze wel beschermd.”

In de kleedkamer hing hij weleens een door hemzelf gemaakte tekening van een kar op. Symbolisch. Enkele spelers duwden de kar, anderen zaten erop en sommigen trokken eraan. Zaten er te veel spelers op, dan bleef de kar steken. „Ik wilde jongens ervan bewust maken dat ze het samen moesten doen. Kwam iemand te laat, zei ik: jij zit weer op die kar.”

Werden spelers weleens gek van hem? Vast wel, denkt Stevens. Maar elke beslissing nam hij in de oprechte veronderstelling dat het de juiste was. ’s Avonds wilde hij in de spiegel kunnen kijken en zeggen: ik was eerlijk. Anderen noemden hem dan hard. Der Harter Hund. Stelden journalisten een domme vraag, in Stevens woorden „een niet overwogen en onvoorbereide vraag”, dan kon hij ontploffen.

Wandeling met de hond

In zijn beginjaren was Stevens nog harder, zegt hij. Als jeugdtrainer bij PSV stuurde hij zonder pardon spelers weg omdat dit nou eenmaal moest gebeuren. „Dat is nu veel moeilijker, omdat de huidige lichting anders is opgevoed dan de jongens van toen. Deze spelers zien veel minder snel in dat ze niet genoeg kwaliteiten hebben. Spelers zijn egoïstischer. Eén contract en ze hoeven nooit meer te werken. Dan begrijp je dat ze zo worden.”

Zelf werd hij jaren geleden bedankt door een jeugdspeler die hij had afgewezen. Stevens liep buiten met zijn hond – „Aad de Mos hoor ik vaak zeggen dat ik nog steeds een hond heb, dat is niet zo” – toen er naast hem een fietser stopte. „U kent mij vast niet meer, maar ik wil u graag bedanken”, zei de man. „Hij was gelukkig getrouwd, had een heel goede baan en zei dat ik daaraan had bijgedragen. Ik had hem gezegd dat hij zich beter maatschappelijk kon ontwikkelen.” Glimmend: „Zoiets vergeet je niet.”

In de serre met uitzicht op zijn zwembad is Stevens een hartelijke gesprekspartner die over voetbal nooit uitgepraat raakt. In Hoffenheim woonde hij in een hotel en ging hij elke avond met de technische staf uit eten. Ging het alleen maar over tactiek en trainingen – wat anders?

Dan gaat zijn telefoon. In het Duits bespreekt hij de ontwikkelingen van zijn nieuw te bouwen huis op Mallorca, waar hij meer vrije tijd met zijn familie wil doorbrengen. Vloeiend Duits. De laatste jaren heeft Stevens zich zo vaak in die taal uitgedrukt, dat hij tijdens het interview ook enkele keren het woord ich gebruikt, in plaats van ik. Hij zegt niet december, maar dezember.

Je zou bijna denken dat hij vergroeid is met de Duitsers. Maar nee, die suggestie wijst hij af. Wel is het zo dat de Duitse mentaliteit goed bij hem past. Hard werken, niet opgeven en meer respect voor elkander. Invoegen op de snelweg? Gaat in Duitsland makkelijker. Maar het zit hem ook in de waardering. „Als je daar één keer kampioen bent geworden, blijf je altijd Meister. Ze zetten je op een voetstuk. Steek in Nederland je kop boven het maaiveld en ze hakken hem eraf.”

En toch, vlak de Hollander in hem niet uit. Hij is direct en slikt geen woorden in. Vandaar dat hij de spelers van VfB Stuttgart vorig jaar verwende apen noemde, toen ze ongeconcentreerd trainden en toch zeurden over het te droge veld. De club zat middenin de degradatiestrijd en moest de laatste drie duels winnen om te overleven. De eerste was net binnen.

De ophef over zijn uitspraak was groot, maar die ebde weg toen vier van zijn spelers met een kwinkslag reageerden op het incident. In de wedstrijd erna tegen Hamburger SV deden ze na de winnende treffer een apendans.

Stevens vond het schitterend. Het bracht hem op een idee. Hij vroeg zijn secretaresse of ze voor de volgende dag een apenpak kon regelen en vier bananen. ’s Ochtends liet Stevens de materiaalman het pak aantrekken om de spelers bij het ontbijt te verrassen. Stevens: „Hij kwam dansend binnen en gaf ze een banaan. Er zat ook een donkere speler bij, maar dat maakte mij niet uit. Zo kregen ze weer een pats om de oren. Toen wist ik: wij gaan de degradatiestrijd overleven. Vreugde en ontspanning zijn zo belangrijk in stress-situaties. Jonge trainers zouden in zo’n situatie alleen maar bezig zijn met tactiek, die denken er niet aan.”

Meer begrip voor journalisten

Wonderwel speelde hij zich veilig met Stuttgart. Net als een jaar eerder, toen de club in dezelfde situatie ook een beroep op hem deed. Waarom hij toch altijd bij clubs in moeilijkheden werkte? Simpel. „Ik vond mezelf te oud om op aanbiedingen voor langere termijn in te gaan. Ik tekende altijd voor maximaal één jaar. Als ik dan tijdens het seizoen werd benaderd, waren dat meestal clubs die net hun trainer hadden ontslagen vanwege slechte prestaties.”

Mist hij persconferenties? Stevens schudt zijn hoofd. „Wel heb ik de laatste jaren veel meer begrip gekregen voor de journalistiek. Door stress reageerde ik weleens kort door de bocht, maar het was ook een spel. Zei ik tegen een journalist dat ik zomaar het verkeerde pedaal kon intrappen als ik hem zag oversteken. Twee uur later dronken we een biertje.”