Gevaarlijke vorm van geestverruiming

Is de hoofdpersoon in Du Gardijns roman beginnend kunstenaar of geestesziek?

Willem du Gardijn Foto Martijn de Vries

Ik was nog maar een paar zinnen op weg in Willem du Gardijns Bevrijding of het woord ‘querulantenproza’ drong zich aan me op. Kees ’t Hart, die de term introduceerde en toelichtte in het tijdschrift nY (juni 2014) zal te zijner tijd zelf maar moeten bepalen of het daadwerkelijk querulantenproza is wat Du Gardijn schrijft, maar ik was er in elk geval vroeg van overtuigd dat ik met een querulant te maken had.

Eerste zin: ‘Tenzij we volkomen bevrijd worden houdt het zuigen gedurende ons leven nooit op.’ Het zuigen? Wat wordt hier bedoeld? Good old Freudiaans tepelzuigen? Of moeten we dat woord naar het Engels ombuigen en concluderen dat de verteller een zuivere zwartkijker is (als in ‘it sucks’ om er te zijn)?

De eerste optie is aannemelijker dan de tweede, want kijk maar hoe kalmpjes er verder getheoretiseerd wordt: ‘We beginnen met zuigen, zuigen daarna lekker door, tot we er dood bij neer vallen. Veel mensen zullen denken: ik ben geen zuiger, ik ben een bijter, dit boek heeft niets met mij te maken, laat ik het aan de kant leggen. Toch, er zijn zoveel vormen van zuigen in dit verhaal dat er voor elke lezer (ook de bijtende of likkende) iets bij moet zitten. Je kunt zuigen van voren, zuigen van achteren, zuigen van boven, zuigen van onderen, figuratief zuigen, abstract zuigen, idealistisch zuigen, ga zo maar door.’ Nou, gá alsjeblieft maar even door, dacht ik, want ik heb nog echt geen flauw idee waar we het hier over hebben.

Lekkend kraakpand

Veel, maar gelukkig lang niet alles, wordt duidelijk in de tweehonderd pagina’s die volgen van Du Gardijns derde boek. Toen Monografie van de mond (2008) en Negen raven (2011) verschenen noemde de schrijver zich nog Willem Jardin, maar nu dus Willem du Gardijn. Over de verhalenbundel Negen raven schreef deze krant al dat Jardin/Du Gardijn ‘een voorkeur had voor vreemde vogels die niet in een maatschappelijk stramien willen passen’, en daar is dan weer niks aan veranderd.

In Bevrijding verhaalt de jongeman Johnny Mooijman op aandringen van zijn psychiater over zijn jaren aan een kunstacademie. Deze vorm brengt natuurlijk meteen Philip Roths Portnoy’s Complaint in herinnering, en dat is niet de enige literaire tekst die in de roman doorschemert. Zo loop je bijvoorbeeld ook tegen een scène aan waarin Johnny zijn in de modder spartelende lief à la Woyzeck dreigt om te zullen brengen.

Wat zit Johnny zo hoog dat hij zijn verhaal kwijt moet? Helemaal omlijnen kun je het niet na het omslaan van de laatste pagina. Misschien luidt het beste antwoord op die vraag wel dat zich in de studententijd, en helemaal als je je tot beeldend kunstenaar laat opleiden, zóveel nieuwe indrukken aan je opdringen dat je er pas achteraf een beetje verhalende grip op kunt krijgen. Waar het in Voskuils Bij nader inzien nooit helemaal lijkt alsof Maarten uit zijn evenwicht wordt gebracht door intellectuele of emotionele noviteiten, daar is Johnny de wankelmoedigheid zelve. Tollend verlaat hij de met Barthes- en Lyotard-citaten doorspekte colleges, om thuis – als je een lekkend kraakpand naast het psychiatrisch centrum in Den Dolder tenminste een thuis kunt noemen – zijn pogingen te hervatten om bij de begeerlijke doch ondoorgrondelijke Tess in het gewin te komen.

Kromlullende docenten

Je kunt lachen om de pretentieuze en aantoonbaar kromlullende docenten van Johnny, je kunt je laven aan de royale beschrijvingen die Johnny geeft van de billen van Tess en je kunt ontroerd raken door de samenkomst van de krakers en de malle bewoners van de Willem Arntsz Hoeve. Dat gaat allemaal heel gemakkelijk, maar de grootste winst van Bevrijding zit hem in Du Gardijns omgang met de om verschillende redenen gedesoriënteerde ‘jonge geest’. Die omgang is ernstig maar stemt vrolijk. Niet voor niets spreekt Johnny al vroeg in het boek over ‘stemmen’ die hij in zichzelf moet aanboren, stemmen die als het ware moeten spreken in zijn kunstwerken.

Dit boek gaat over geestverruiming die gevaarlijk dicht in de buurt komt van schizofrenie. Later, na die academie, eenmaal aan het werk en met een vrouw, zal Johnny wel weer met één stem gaan spreken. Maar die Johnny geeft de schrijver ons niet. Nog niet.