Doek met tragisch oorlogsverleden

In beslag genomen door de nazi’s en daarna lang achtergehouden door de Oostenrijk. Een doek van de Rothschilds wordt geveild.

Gabriël Metsu, Een officier maakt een vrouw het hof

Sotheby’s veilt eind mei in New York een van de fraaiste 17de-eeuwse genretaferelen in particuliere handen: Een officier die een jonge vrouw het hof maakt, rond 1659 geschilderd door de Leidse schilder Gabriël Metsu (1629-1667). De richtprijs bedraagt 5 tot 7 miljoen euro.

Bijna even bijzonder als het schilderij zelf, is de herkomstgeschiedenis. Het doek werd twee keer gestolen van de eigenaar, de Joodse familie Rothschild: eerst door de nazi’s, en na de oorlog opnieuw door de Oostenrijkse regering.

Sinds 1866 was de Metsu in bezit van de Weense familie Rothschild. In maart 1938, toen Duitsland Oostenrijk annexeerde, verhuisde het schilderij naar het Kunsthistorisches Museum in Wenen, waar de nazi’s in beslag genomen kunst opsloegen. De Metsu werd later geselecteerd voor de collectie van Hitlers droommuseum in Linz.

Toen de geroofde schatten van de Führer door geallieerde bombardementen in gevaar kwamen, verhuisde de Metsu naar een zoutmijn bij het Oostenrijkse dorp Altaussee. Daar werd het doek in mei 1945 door een speciale Amerikaanse legerafdeling, de zogeheten Monuments Men, aangetroffen, samen met 6.500 andere kunstwerken.

Barones Clarice Rothschild wilde haar geretourneerde kunstcollectie overbrengen naar haar nieuwe huis in de Verenigde Staten. Ze kreeg de benodigde exportvergunning pas toen ze 250 kunstwerken, waaronder de Metsu, aan de Oostenrijkse staat had overgedragen. Pas veertig jaar later, in 1998, toen nieuwe restitutiewetten werden uitgevaardigd, kregen de Rothschilds die afgestane werken terug. De Metsu werd een jaar later bij Christie’s in Londen geveild. De onbekende huidige eigenaar betaalde er toen ruim 1,5 miljoen euro voor.