Recht & Onrecht

De Togacolumn: Ook zaken van één minuut kosten meer geld

Zijn juristen rechten gaan studeren omdat ze niet erg goed kunnen rekenen? De bekostiging van de rechtspraak lijkt dat vermoeden te versterken.

Vorige week publiceerde de Algemene Rekenkamer het rapport Bekostiging Rechtspraak. Het systeem is eigenlijk heel eenvoudig: het aantal zaken maal de afgesproken prijs. Er is echter een grote maar: het plafond staat al vast - dat wordt bepaald door de hoogte van het bedrag dat het ministerie aan de rechtspraak ter beschikking stelt. Dus ongeacht het aantal zaken dat wordt afgedaan.

Zo mochten wij een aantal jaren geleden meemaken dat, naar werd gezegd na stevige onderhandelingen, het aantal behandelminuten voor bepaalde zaken stevig werd verhoogd, echter met een evenredige verlaging van het minutentarief.

Een dergelijke uitkomst versterkt het vooroordeel dan wel vermoeden dat heel veel juristen toch vooral rechten zijn gaan studeren omdat zij niet goed zijn in rekenen. We kunnen eigenlijk spreken van een rituele dans met tenslotte een sigaar uit eigen doos als beloning.

Iets dergelijks dreigt opnieuw te gaan gebeuren.

Voor de afdoening van verstekzaken handel bij de afdeling kanton ontvangt een rechtbank €12,00 per zaak. Er worden jaarlijks ongeveer een half miljoen handelszaken bij de afdeling kanton aangebracht. Bij ongeveer driekwart daarvan laat de gedaagde verstek gaan - men blijft weg. Het meest voorkomende griffierecht daarbij is € 471,00 voor rechtspersonen. Let wel: dit zijn geen winstpakkers voor de rechtbank, het geld gaat naar het ministerie.

De gestelde behandeltijd is één minuut voor de rechter en drie minuten voor de juridisch medewerker. Daarbij moet worden bedacht dat de toets bij verstekzaken niet erg zwaar is: de vordering moet de rechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. Je moet als eiser wel heel beroerd ‘stellen’, wil de vordering die toets niet overleven.

Sommige gedaagden, of zij zich nu in de procedure mengen of niet, denken dat de rechter precies gaat uitzoeken hoe het zit. Dat is een misvatting. Huiselijk gezegd komt het er op neer dat als de gedaagde niet de moeite neemt te weerspreken wat de eiser stelt, de rechter er van uit gaat dat wat de eiser aan feiten stelt juist is. Als de vordering dan niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, wordt zij dus toegewezen.

Nu kennen wij sinds enkele jaren de zogenaamde (Europese) lijst met oneerlijke bedingen. De bedoeling is de consument te beschermen tegen oneerlijke bedingen in overeenkomsten met professionele wederpartijen, bijvoorbeeld enorme schadevergoedingen als de consument zijn verplichtingen niet (volledig) nakomt. De rechter moet ambtshalve, dus ook als partijen zich daar niet op beroepen, toetsen of er geen sprake is van dergelijke oneerlijke bedingen.

Dat moet dus ook bij verstekzaken. Een kind kan zien dat die ene minuut rechter en die drie minuten juridisch medewerker (al jaren) volstrekt onvoldoende zijn om dat te toetsen. Het tarief zal dus (moeten) worden aangepast. Maar waar komt dat geld vandaan?

Gelet op de tot nu toe bestaande praktijk valt te vrezen dat er dus voor andere zaken minder zal worden betaald. Of moet worden gevreesd voor de franse slag, zoals enkele kantonrechters laatst bij een cursus verzuchtten, door vanwege “het management” uitgeoefende druk die ambtshalve toets maar te laten zitten?

Natuurlijk is een open eind begroting vanuit bestuurlijk oogpunt onhandig. Aan de andere kant: als je aanvaardt dat de behandeling van een zaak een bepaalde hoeveelheid tijd vergt, is het onaanvaardbaar dat het beschikbare bedrag niet wordt gewijzigd als er aanzienlijk meer tijd aan die zaken moet worden besteed. De dooddoener dat het allemaal wel wat efficiënter kan, is wel uitgewerkt. Maar het besef dat (behoorlijke) rechtspraak geld kost, lijkt niet overal even sterk aanwezig.

De Togacolumn wordt afwisselend geschreven door een rechter, een officier en een advocaat. Deze week Matthieu Verhoeven, insolventie- en kort gedingrechter in de rechtbank Overijssel te Almelo. 

Blogger

matthieuverhoeven

Matthieu Verhoeven studeerde rechten aan de Rijksuniversiteit Groningen. Daarna werkte hij ruim tien jaar als advocaat. Hij is sinds 1994 rechter, in diverse functies, van kantonrechter tot sectorvoorzitter, vooral werkzaam in de civiele sector van de rechtbank in Almelo. Op dit moment doet hij vooral insolventies (faillissementen en schuldsaneringen) en kort gedingen.